Preek van zodag 2 juni 2024 Preek van zodag 2 juni 2024
Harde beschuldigingen en wonderlijke uitspraken
Al vroeg zijn er spanningen binnen de eerste gemeente van christenen die ontstaan is na het Pinksterfeest. Daarover lezen we in Handelingen 6. In Jeruzalem, waar die gemeenschap bijeenkomt, is een groep mensen die alleen Grieks spreekt en er bekaaid afkomen. Hun weduwen krijgen tijdens de gezamenlijke maaltijden minder of minder goed te eten dan anderen die Hebreeuws spreken. Als dat verwijt rondgaat, wordt er ingegrepen. Naast de twaalf apostelen worden zeven wijze mannen aangesteld die de zorg voor een eerlijke verdeling van geld en voedsel op zich nemen. Noem het de geboorte van de diaconie! Deze zeven mensen, onder wie bekende namen als Stefanus en Philippus, worden inderdaad wel de eerste diakenen genoemd. Zij moeten ervoor zorgen dat niemand te kort komt.
Ook Jezus en zijn discipelen, lezen we in Marcus 3, eten te weinig. Maar dat heeft een andere reden: ze hebben het te druk en komen er niet aan toe. Continu is er een menigte van mensen die een beroep op Jezus doet en het huis waar Hij woont, waarschijnlijk in Kapernaüm, min of meer belegert. Zijn familie uit Nazareth maakt zich zorgen en komt naar hem toe. Ze vrezen niet alleen dat Jezus zichzelf verwaarloost maar ook dat Hij er geestelijk onderdoor gaat. Ze willen hem, lazen we, desnoods onder dwang meenemen omdat Hij volgens hen zijn verstand had verloren. Je weet niet precies wat daarachter zit, maar waarschijnlijk vinden ze dat Jezus doorslaat in zijn bevlogenheid en ook in zijn betrokkenheid bij mensen. Gaat Hij niet te ver en put Hij zichzelf niet uit? Je kunt toch niet de hele wereld op je schouders nemen?
Zo komt Jezus van meerdere kanten onder vuur te liggen, laat Marcus zien. Enerzijds is daar zijn familie die hem naar huis wil halen. Anderzijds meldt zich een groep schriftgeleerden die helemaal uit Jeruzalem is gekomen. Zij doen er nog een schepje bovenop. Volgens hen is niet God maar de duivel in hem aan het werk. Jezus zou bezeten zijn door Beëlzebul, de leider van de demonen. Die twee beschuldigingen vormen in dit verhaal een dubbele sandwich. Eerst is er zijn familie die vindt dat het te gek wordt: ze willen dat Hij naar huis komt. Dan volgt de forse aanval van de schriftgeleerden: Hij zou een satanskind zijn in plaats van zoon van God. En tot slot komt zijn familie weer om de hoek kijken. Zijn moeder en broers zijn ondertussen aangekomen en wachten buiten op hem. Zo sluit zich het net. Een heftig verhaal zonder happy end. Want familiebanden blijken voor Jezus niet te tellen. Ieder die de wil van God doet, zo eindigt dit fragment, is zijn broeder of zuster of moeder. De wil van God doen, dat is het enige dat voor hem telt. Ook al gaat dat ten koste van hemzelf.

Wat zit er achter die verwijten? Iets van de zorgen in zijn familie kun je je wel voorstellen. Zo is het opvallend in dit verhaal dat Jozef, de man van Maria, nergens genoemd wordt. Na de geboorteverhalen komt Jozef niet meer voor in de evangeliën. Men vermoedt dat hij niet meer in leven is en Maria dus als weduwe verder moet. En dan had Jezus als oudste zoon eigenlijk de plicht voor haar en zijn jongere broers en zusters te zorgen. Maar dat gebeurt niet. Hij verlaat Nazareth en gaat rondtrekken als weldoener, Hij predikt de komst van het koninkrijk en is overal bezig mensen te genezen door onreine geesten en demonen uit te drijven. Ja, Hij is daar zo druk mee dat Hij niet aan eten toekomt, zo begon ons verhaal. Maar bij zijn familie kan zoiets steken: al die aandacht voor anderen, maar heeft Hij wel oog voor hen? Het wordt gewoon te gek. Ja, is dit wel gezond, slaat het niet door, en wordt Jezus er zelf niet gek van? Zo gezien is hun verwijt meer dan onbegrip. Je kunt er ook iets van gemis in proeven – we zien je nooit meer, we kunnen je thuis goed gebruiken. Gemis, ook bij Maria die vaak als toegewijde fan van Jezus is afgeschilderd en later in de kerk grote verering kreeg, maar die hier niet zo blij is met haar zoon. En die omgekeerd van hem ook geen leuke reactie krijgt. Jezus blijkt zich meer verwant te voelen met zijn volgelingen dan met zijn familie.

Bij de schriftgeleerden in dit verhaal ligt dat anders. Zij zijn er duidelijk op uit Jezus te beschadigen of – dat woord past hier beter dan ooit – te demoniseren. Hij zou geen dienaar van God maar een handlanger van de duivel zijn. Die zou hem de macht gegeven hebben demonen uit te drijven. Dat laat Jezus zich niet gezeggen en weet Hij simpel te pareren. Als dat waar was, is zijn reactie, dan zou het rijk van de duivel innerlijk verdeeld zijn. Want Hij doet juist het omgekeerde. Hij is bezig mensen te genezen en te bevrijden van ziekte en ander onheil, dingen die destijds aan de duivel werden toegeschreven. Hij ziet zichzelf, vertelt Hij beeldend, als iemand die inbreekt bij de duivel en hem vastbindt. Zo weet Hij mensen uit diens duistere macht los te maken. Die mensen neemt Jezus mee als buit en krijgen van hem de vrijheid.

Een wonderlijk beeld: Jezus als inbreker in het huis van de duivel. Zo vertelt de Bijbel waar Hij staat. Niet aan de kant van het donker maar van het licht, niet aan die van ziekte en dood maar van het leven – van onze genezing en heelwording. Dat klinkt door in deze reactie. Toch blijft het een wonderlijke tekst waarin de duivel nogal prominent aanwezig is. Zelf heb ik daar weinig mee. Dat er zoiets is als de macht van het kwaad, dat kan ik wel meemaken. Maar ik geloof niet in zo’n concrete duivel met ook nog een heel leger demonen. Dat is een mythische vorm van denken die vandaag de dag veel vraagtekens oproept. Maar in die tijd leefde dat sterk, hebben we hier vaker verkend. Ziekte werd niet aan een bacterie of virus toegeschreven, maar aan demonen die bezit van je konden nemen. Genezing was dan het werk van een exorcist die in staat was zo’n boze geest uit te drijven. Zoiets kon gepaard gaan met veel kabaal. Ooit las ik dat zo’n charismatische genezer vervaarlijk kon grommen en schreeuwen tegen zo’n demon. Zoiets kunnen wij ons moeilijk voorstellen maar destijds was dat vrij gewoon. De kans is groot dat Jezus ook zoiets deed, dat Hij kon grommen en schreeuwen als Hij mensen genas. Dat lees je in het evangelie soms tussen de regels door. Zoiets kon dan tegen hem gebruikt worden. Door zijn familie of anders wel door de nette, hoge heren uit Jeruzalem. Het voedde het verwijt dat Hij zelf in de ban zou zijn van duistere krachten. Terwijl Jezus die juist hartstochtelijk bestrijdt. Heel zijn doen en laten is juist – klassiek gesproken ‒ tot eer van God en tot heil van mensen. Daar gaat het Jezus om.

Een heftig en weerbarstig verhaal. Niet alleen om de dingen die ik al noemde. Ook omdat in Marcus 3 iets ter sprake komt dat later diepe sporen heeft getrokken in het christelijk geloof: de zonde tegen de heilige Geest. Alleen die – staat er ‒ zou onvergeeflijk zijn. Volgens Jezus kan elke zonde vergeven worden, zowel wat mensen elkaar aandoen en als het rechtstreeks lasteren van God. Maar er is één uitzondering: het lasteren van de heilige Geest. Daarvoor zou geen vergeving zijn. Dat is niet alleen een wonderlijke uitspraak, ook is er meteen een groot probleem: niemand weet waar het om gaat. Deze zonde is en blijft een groot raadsel. De speculaties gaan alle kanten op. Vaak kijkt men naar de eerste Johannesbrief. Daar gaat het om geloofsafval, in die tijd een geloof dat iemand nog maar net omarmd had. Dat weer loslaten werd dan als een doodzonde gezien. Bij iemand als kerkvader Augustinus ging het om een houding van onboetvaardigheid. Iemand weigerde, ook op oudere leeftijd, zijn zonden onder ogen te zien en voor God te belijden. Zo zijn er meer voorstellen gedaan om dit raadsel op te lossen, maar ze bevredigen geen van alle. En ook de tekst zelf biedt weinig houvast. Gaat het om de beschuldiging dat Jezus door de duivel is bezeten? En is dat dan erger dan de grootste misdaad of de meest grove godslastering? Het blijft een raadsel en misschien moeten we dat maar zo laten. Soms zit er tussen ons en de Bijbel een kloof die zich niet meer laat overbruggen.

Toch was het een vraag die mensen bezig hield en bang kon maken: hadden ze misschien de zonde tegen de heilige Geest gedaan zonder het te weten? Vroeger kon dat dreigend boven je hoofd hangen. En mocht je toch al de neiging hebben het Avondmaal te mijden, dan was dit nog een extra reden. Zo kan zo’n vage tekst een eigen leven gaan leiden en voor verwarring zorgen. Dat geldt trouwens ook voor die ander opvallende uitspraak in dit verhaal. Kunnen inderdaad, zoals Jezus hier ook zegt, alle andere zonden wel vergeven worden? Dat is nogal wat. Is wat Hitler en de zijnen de joden en anderen hebben aangedaan ooit te vergeven? Hoe zit dat met oorlogshitsers, terroristen, seriemoordenaars en andere criminelen? Of hoe zit dat met iemand die stomdronken achter het stuur stapt en een kind of een heel gezin doodrijdt? Is het dan niet beter om te zwijgen of anders wel uiterst terughoudend te zijn met grote woorden als vergeving en verzoening? Op zo’n moment is het goed weer even terug te grijpen op Dietrich Bonhoeffer, de Duitse theoloog die de kerk waarschuwde voor ‘goedkope genade’. Over genade kun je niet losjes of in algemene termen spreken, gaf hij daarmee aan. Mensen kunnen zich er te pas en te onpas op beroepen. Maar dat kun je vaak beter overlaten aan God.

Wel kun je er een persoonlijke vraag van maken. Wat zijn de pijnlijke dingen die in je eigen herinnering blijven malen en steken? Domme dingen die je zei, foute keuzen die je maakte, mensen die je lelijk te kort deed of andere missers die je blijven dwarszitten. Ze kunnen je als demonen blijven bestoken, ook als je iets eerlijk hebt beleden en een ander het je al lang heeft vergeven. Soms kan een mens zichzelf maar moeilijk vergeven, teleurgesteld als iemand is in zichzelf. Het kan moeilijk zijn toe te geven dat je niet de mens bent die je zou kunnen zijn en soms, of heel vaak, onder de maat blijft. Dat je niet die mens bent van wie Jezus zegt: omdat je de wil van God doet, ben je mijn broeder of zuster of moeder. Ons hart kan ons aanklagen, weet de Bijbel, maar… God is groter dan ons hart. Van die waardevolle aanvulling is Jezus onze getuige. In hem komt ons een goddelijke liefde tegemoet die al het menselijke overstijgt. Liefde die niet zomaar alles wegpoetst, dat zou goedkope genade zijn. Maar wel een liefde die gericht is op aanvaarding, op royale vergeving en op onze innerlijke genezing. In Jezus wordt zichtbaar dat God ons niet afschrijft maar altijd weer de hand reikt. God is groter dan ons hart. Daarvan is Jezus onze onvermoeibare getuige. Amen

 
terug