Preek van zondag 10 april 2022 Preek van zondag 10 april 2022
De Heer heeft ons nodig

Onlangs tipte een bevriende theoloog me op een recente roman van Maarten ’t Hart. Ik heb meerdere boeken van hem gelezen, maar deze niet. Het gaat om ‘De nachtstemmer’, het verhaal over een Groningse orgelstemmer die op werkbezoek is in een Zuid-Hollands havenstadje, ongetwijfeld Maassluis. Daar raakt hij verzeild in een bijzondere bijeenkomst van de gereformeerde mannenvereniging. Een gezelschap dat zich met regelmaat bezint op de grote vragen van schrift en belijdenis. Op het programma staat het verhaal over Bileam uit Numeri 22, met een ezelin die niet alleen kan spreken maar ook kan tellen. Wat heb ik jou aangedaan, vraagt het dier aan Bileam, dat je me drie keer hebt geslagen? De mannenbroeders debatteren stevig over de vraag of de ezel echt gesproken heeft of niet. Daarbij staat voor hen veel op het spel. Want als een ezel niet kan spreken, dan geldt dat ook voor de slang in het paradijs, en dan valt opeens de basis weg onder een heel stuk orthodoxie: de zondeval van Adam en Eva, en in het verlengde de erfzonde en de klassieke verzoeningsleer die daarop voortborduren. Verzoening wordt dan het ongedaan maken van die zondeval.

Op een gegeven moment raakt de orgelstemmer in deze discussie betrokken. En hij heeft een opvallende inbreng. Waarom zijn jullie zo verbaasd, vraagt hij de mannenbroeders? Want kijk eens naar Bileam zelf, hij reageert helemaal niet verbaasd op zijn sprekende ezelin. Hij lijkt dat heel normaal te vinden. Dat kan maar één reden hebben: dit was niet de eerste keer, nee, het dier moet vaker gesproken hebben. Daarom is er geen reden te betwijfelen dat hij ook deze keer gesproken heeft. Het verhaal moet dus op historische feiten berusten. Zo lijkt deze orgelstemmer alle anderen te overtreffen in geloof. Maar dat is schijn. Want als hij terugblikt op deze ontmoeting, dan tapt hij uit een heel ander vaatje. Dan zegt hij bij zichzelf, in een soort innerlijke monoloog: Ik keek naar al die ernstige mannenbroeders en ik dacht: hoe is het toch mogelijk dat al die kerels die zotte, onwaarschijnlijke Bijbelsprookjes zo moeiteloos accepteren als waar gebeurd. Hoe kan dat nou, pratende slangen, muren van water, drijvende bijlen, sprekende ezels, en dan volgt er nog een lange opsomming van onmogelijke verhalen, tot in het Nieuwe Testament toe.

Zo verwoordt deze orgelstemmer bij Maarten ’t Hart opeens de twijfel van de moderne mens en maakt hij duidelijk waarom het oude bolwerk van de mannenbroeders op talloze plaatsen is ingestort. Probeer vandaag de dag mensen er niet van te overtuigen dat je de Bijbel letterlijk moet nemen, in die zin dat ezels en slangen kunnen spreken. Toen een dominee dit toch vol vuur vanaf de kansel verkondigde, schijnt de ouderling van dienst na afloop gezegd te hebben: beste vriend, of de ezel destijds gesproken heeft, dat betwijfel ik, maar dat hij hier vandaag heeft gesproken, dat weet ik zeker! U begrijpt dat ik dat risico niet wil lopen en u graag alle ruimte geef om dit oude verhaal als een vrome fabel te lezen waarin de humor niet ontbreekt. Want deze waarzegger die wordt ingehuurd om Israël te vervloeken, zal het volk uiteindelijk zegenen. En een koppige maar verstandige ezelin zet Bileam daarbij op het goede spoor. Anders dan haar baasje heeft zij wel oog voor Gods bedoelingen.

Zegenen en vervloeken, dat gaat ook een belangrijke rol spelen in Jeruzalem. De stad, laat ik daar eerst even bij stilstaan, die Jezus binnenrijdt op een ezeltje. Zo presenteert Hij zich hier als zachtmoedige vorst van de vrede. Niet onaantastbaar hoog te paard, zoals machthebbers graag doen, maar in alle eenvoud, bereikbaar en dichtbij mensen. Van legeraanvoerders is bekend dat ze graag een veroverde stad binnenrijden op een wit paard, een hitsige hengst. Dat is hun taal: anderen imponeren en reduceren tot waardelozen en machteloze mensen. Paarden, kun je zeggen, zijn de tanks van vroeger. Die hebben we de laatste maand in Oekraïne zien binnenrollen, samen met de bombardementen en raketten die mensen moeten imponeren en knakken. En begeleid met hitsige retoriek die deze misdaden in eigen land moet goedpraten. Zo toont Poetin zich, gesteund door de ontspoorde Russisch-orthodoxe kerk van patriarch Kirill, de tegenpool van Jezus. Hun bloedvergieten en brute geweld laat zich op geen enkele manier rijmen met de geweldloosheid die Jezus als vredevorst uitstraalt. Hij die bij zijn intocht in Jeruzalem voor een ezel kiest en mensen niet reduceert tot doelwit voor raketten of kanonnenvoer.

Wat een zegen – deze intocht ‒ voor Jeruzalem, de stad die al veel ellende en verwoesting, vele vloeken had meegemaakt en uiteindelijk alsnog, door de Romeinen in het jaar 70, met de grond gelijk wordt gemaakt. Hier, zo’n 40 jaar eerder, maken de leerlingen van Jezus er een enthousiaste intocht van. Deze messiaanse profeet is een zegen voor de stad. ‘Gezegend Hij die komt als koning, in naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste.’ Met die royale begroeting begint de laatste week van Jezus. Maar de vervloeking ligt al om de hoek. Eerder heeft Lucas al verteld dat in deze stad meerdere vijanden van Jezus zich concentreren. Zij zullen het volk ophitsen en later, op het plein bij Pilatus, roepen om zijn dood: ‘Weg met hem, kruisig hem’. Zij wijzen de door Jezus gebrachte vrede af en kiezen voor een weg van weerstand en geweld. De zegen verwordt tot vloek. Die omslag maken we stap voor stap mee in de komende vieringen van de Stille Week: ‘Heden Hosanna, morgen kruist hem’. Totdat deze levens- en lijdensweg van Jezus met Pasen opnieuw een alles beslissende ommekeer krijgt. De vloek van de kruisdood verkeert in de zegen van het nieuwe leven.

Zegen en vloek. Dat dubbele zit ook in de kerk door de eeuwen heen. Ze is velen tot zegen geweest, ze is ook velen tot vloek geworden. Ze is zowel trouw als ontrouw aan haar Heer geweest. Ik zal er nu geen concrete voorbeelden bij geven, zeker niet van de schaduwzijden, want die staan dagelijks in de krant. Bijna altijd hebben ze te maken met wat je haantjesgedrag, of vandaag misschien beter ‘paardengedrag’ kunt noemen: ongepast triomfalisme en misbruik van macht, zowel geestelijk en verbaal als fysiek en seksueel. Daar wordt de kerk nu her en der voor afgestraft, deels terecht, deels ook niet. Want het vele goede dat het christendom eveneens heeft gebracht wordt dan vrij achteloos ter zijde geschoven. En veel kerken ‒ helaas nog niet alle ‒ lijken ondertussen echt te leren van hun fouten. Dan laten ze zich niet leiden door macht en aanzien in de wereld, dan weigeren ze met geestelijke dwang te heersen over het geloof en geweten van anderen, en dan tonen ze oprecht spijt of bieden ze welgemeende excuses aan als mensen door haar zijn miskend, beschadigd en gediscrimineerd. Soms is dat een lange lijst…

De kerk als eenvoudige dienares van Jezus, dat is haar nieuwe gestalte. Je zou kunnen zeggen: de kerk als het ezeltje dat Jezus ooit de stad in droeg. Op die manier mag ze hem ook vandaag de dag door de wereld dragen. In alle eenvoud en bescheidenheid, dus zonder hoogdravende retoriek. In die trant schijnt kerkhervormer Maarten Luther over Palmpasen gesproken te hebben: we mogen ons als gelovigen richten op dat ezeltje van de intocht. Een mooie gedachte: want we kunnen ons wel aan Jezus zelf spiegelen, maar dat is hoog gegrepen. Laten we eerst maar eens ‒ minder hoogdravend – naar dat ezeltje kijken. Dat lastdier van de intocht dat, anders dan bij Bileam, niet aan spreken toekomt maar wel in alle eenvoud dienstbaar is aan zijn Heer. De eigenaar kreeg van Jezus’ leerlingen te horen: ‘de Heer heeft het nodig’. Geldt dat ook niet voor ons: ‘de Heer heeft ons nodig’? Net als dat ezeltje is het aan ons om het evangelie van Jezus in ons te dragen en uit te dragen in deze wereld. Niet meteen met grote woorden, misschien des te meer met stille daden die in alle eenvoud iets van liefde en vrede uitstralen.

Toch hoeven woorden niet altijd te ontbreken. Goed, we willen niet terug naar de tijd van de zeepkistjes. Maar enige vrijmoedigheid misstaat ons niet in deze tijd. Daarover hadden we onlangs in de kerkenraad een mooi gesprek. Als kerk wil je niet opdringerig zijn, laat staan dwingend, maar het is wel goed je op allerlei momenten of plekken in de samenleving te melden. We hebben toch zoiets als een woord voor de wereld. Het christendom kent daarbij een rijke traditie vol wijze inzichten. En zoals anderen dat doen, zo mag ook onze stem gehoord worden. Ja, misschien wordt dat ook wel van ons verwacht. In allerlei gesprekken kunnen mensen je vragen naar wat je beleeft aan je geloof en wat je daarin inspireert. Dat kunnen je kinderen doen, of anders wel je anders- of niet gelovige buren of goede vrienden. Het zou jammer zijn als we dan met de mond vol tanden staan en niet vrijmoedig durven te spreken.

Waarom zing je graag of bid je af en toe? Wat blijft je, ondanks allerlei vreemde verhalen, in de Bijbel boeien? Wat hebben God en geloof met je leven van alle dag te maken? Het is mooi als je dat durft te delen met anderen. Daar is vandaag de dag weer alle ruimte voor. De tijd dat anderen bij voorbaat afwijzend of verkrampt reageren op alles wat met kerk en geloof te maken heeft, lijkt voorbij. Vorige week las ik nog dat meerdere profvoetballers heel open zijn over hun geloof. In allerlei gebaren laten ze merken dat God een rol speelt in de wijze waarop ze een wedstrijd ingaan en beleven. ‘Met God op de grasmat’, luidde de leuke titel van dat verhaal. Voor ons kan dat soms overdreven overkomen ‒ zeker het bedanken van God voor een doelpunt ‒ maar het heeft ook iets uitnodigends. Want op welke wijze dragen wij iets uit van ons geloof? Of om het met Luther te zeggen: hoe spiegelen wij ons in dat ezeltje? De zwijgende ezel van Jezus en de sprekende ezel van Bileam. Ze vertellen ons dat de Heer ons nodig heeft. Amen.

 
terug