Preek van zondag 8 oktober 2023 Preek van zondag 8 oktober 2023
Introductie op de lezing uit Hebreeën 11
 
Het thema van deze muziekdienst luidt: Waarom zou je eigenlijk geloven? Wat heb je daaraan of wat levert dat op, wordt vandaag de dag al snel gevraagd. En is het geen achterhaald en glibberig pad? Want niemand kan bewijzen dat God bestaat. Dat is waar, maar dat geldt ook voor het omgekeerde: je kunt evenmin bewijzen dat God niet bestaat. Geloven is geen kwestie van wetenschap maar van vertrouwen. Maar het zou wel mooi zijn als er onder dat vertrouwen ook een goede basis ligt, zodat je niet zomaar omver wordt geblazen in deze tijd van groeiend ongeloof. In drie korte overwegingen ga ik op zoek naar die basis. Die overwegingen sluiten aan bij drie bekende tegenwerpingen: het leven is toeval, God is nergens te vinden en dood is dood? Simpel toch, waarom gaan gelovigen daar niet in mee? Blijkbaar zien of ervaren zij dat anders.

Voorop de liturgie staat een mooi plaatje. Je ziet de logo’s of beeldmerken van meerdere godsdiensten en stromingen. En in het midden, onder het vergrootglas, staat een groot vraagteken. Ook hier kan het weer twee kanten op. Zie je wel, zeggen sommigen: zoveel verschillende geloven, dat moeten wel menselijke verzinsels zijn. Maar anderen zullen juist benadrukken: al die geloven zijn, elk op eigen wijze, blijkbaar op zoek naar hetzelfde geheim, er moet dus wel meer zijn tussen hemel en aarde..

We lezen vandaag over Abraham, die wel de vader van alle gelovigen wordt genoemd. In elk geval wordt hij zowel door joden als door christenen en moslims als stamvader erkend. Zijn naam is nog steeds populair. Zelf hebben we een Bram als schoonzoon, en Ibrahim – denk aan de voetballer Afellay – is nog altijd een populaire naam onder moslims. Het verhaal over Abraham staat eigenlijk in Genesis, maar in Hebreeën 11 wordt dat mooi samengevat. Hij doet wat in het Nieuwe Testament iemand als Thomas nog moet leren: niet zien en toch geloven. Abraham hoorde een stem en ging op weg, zonder precies te weten waarheen. Dat vind ik een mooi beeld: geloven is en blijft een zoektocht, zonder zekerheden of bewijzen.

Ter overweging (1)
Afgelopen dinsdag, op de avond over ‘Groeien in geloof en spiritualiteit’, vertelde ik iets over John Caputo, een Amerikaanse denker die als jongeman het klooster inging maar ook weer uittrad, een gezin stichtte en een gevierd hoogleraar werd. In een van zijn boeken beschrijft hij hoe hij als kleine jongen ’s avonds vaak naar de sterren tuurde. Dan kwam bij hem de gedachte op: ‘niemand weet dat we hier zijn’. Er is geen God die ons ziet maar alleen een heelal met eindeloos veel sterren. Een twijfel die altijd bij hem was zonder dat hij ongelovig werd. Maar het lijkt sterk op het verhaal dat de wetenschap en in het bijzonder de evolutie ons vertelt. Er is geen God, het leven is puur toeval. Denk dus niet dat er zoiets is als een hoger plan of diepe bedoeling. Ja, je kunt je eigen zin aan het leven geven maar uiteindelijk is het zinloos. En ooit, ooit zal alles sterven als de zon begint uit te doven.

Eens vertelde een moeder me over haar zoon: tot en met de basisschool was hij een gelovig jongentje dat dol was op bijbelverhalen, over Abraham en Noach en ook over de schepping. Maar na een paar jaar voortgezet onderwijs was het allemaal weg. Daar kreeg hij mee dat dit bestaan een evolutionaire toevalstreffer was. God was voor hem overbodig geworden, de Bijbel een boek met sprookjes. Eerder geloofde hij nog met Hebreeën 11 dat het heelal door God was geordend. Dat het zichtbare uit het niet-zichtbare is ontstaan, zoals daar staat. Op zich prachtige woorden, totdat een zekere Charles Darwin kwam en daar een dikke streep doorheen haalde. Met die gedachte leeft nu menigeen: dit bestaan is evolutionair toeval.

Toch ligt dat niet zo eenvoudig. Zeker, de evolutie en zoiets als de Big Bang of Big Flash, waarmee alles is beginnen, zijn niet te ontkennen. Dat moet een kerk vooral niet doen, Zo’n ontkenning is ronduit ongeloofwaardig en dom. Maar evolutie is tegelijk een verhaal dat ook ruimte laat voor wat je een onzichtbare kracht kunt noemen. Want het was niets geworden met dit heelal en deze aarde, zeggen meerdere deskundigen, als er niet op ingenieuze wijze van alles op elkaar was afgestemd: de natuurwetten, de deeltjes materie in vele soorten, de zwaartekracht, de lichtsnelheid. Die onderlinge afstemming kennen we als finetuning. Dat finetunen deden we vroeger met een radio, om precies af te stemmen op de zender, en doen monteurs tegenwoordig bij moderne auto’s. Zoiets ligt ook aan de basis van dit aardse leven, alles past precies om dat mogelijk te maken.

Je hebt dus pas echt een groot geloof als je denkt dat dit bestaan puur toeval is. In of achter de evolutie laat zich tegelijk iets vermoeden van een masterbrein, een grote bezielende Geest of een steeds maar weer scheppende hand van God. Goed, dat is niet te bewijzen, nee, net als Abraham moet je het hebben van intuïtie en geloof. In zo’n geloof is God de drijvende kracht achter deze wereld, een God die uit is op leven, op menselijk leven ook, en op contact met ons. Naar zijn beeld geschapen zijn we de door God beoogde bondgenoot, zoals Abraham dat was. En dat besef geeft zin en richting aan ons leven: God roept ons allen op om hier op aarde zijn bondgenoot te worden en samen in dienst te staan van het leven – een leven waarin de liefde centraal staat.

Ter overweging (2)
Ik geloof niet, want je komt God nergens tegen. Dat is een veelgehoorde reactie op alle narigheid in deze wereld. Er zijn oorlogen die God niet stopt, ook nu niet in en om Israël. Er zijn rampspoeden die Hij niet voorkomt en ziekbedden waar Hij geen genezing brengt, ook als er hevig om wordt gebeden. Het vele kwaad, het zinloze lijden in de wereld, wordt wel het kernwapen van het atheïsme genoemd. Welk geloof is daartegen bestand? Dat raakt inderdaad aan de achilleshiel van de kerk. Die kerk bleef lange tijd stug vasthouden aan de almacht van God. Die zou allerlei − vaak nogal duistere − redenen hebben om het kwaad z’n gang te laten gaan of zelfs te gebruiken als straf of beproeving. Dat heeft veel mensen van het geloof vervreemd.

Pas na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en van Auschwitz groeide in veel kerken de ruimte om hier anders mee om te gaan. Om God niet als de grote regisseur achter de schermen te zien, maar als de troostende en bezielende kracht die ons nabij is, nabij in dit kwetsbare bestaan. Een God ook die ons als mens de ruimte geeft, met een eigen vrijheid en verantwoordelijkheid. Zo kunnen we, als we willen, veel dingen met elkaar in goede banen leiden. Maar niet alles – ook het onheil kan toeslaan. Dan is het zaak dat mensen elkaar tot steun zijn en vasthouden in wat ze meemaken, in hun pijn en moeite. Daartoe roept God ons op. Ja, zo wil Hij zelf onder ons aanwezig zijn, zien we in de persoon van Jezus.

Als je zo naar de wereld kijkt, is die niet leeg aan God. Want zo krijg je oog voor hoe God juist wel aanwezig is, vaak in kleine dingen. In de troost die mensen elkaar schenken, in hun inzet voor vrede en gerechtigheid, in hun zorg voor de natuur en al wat leeft. Ja, overal waar mensen het leven koesteren, waar ze liefde uitstralen, daar komen we iets van God op het spoor. God krijgt handen en voeten in het geluk dat mensen delen en elkaar schenken. En in hun aandacht voor elkaar en in het bijzonder voor zieken en stervenden. En God is ook aan het werk als iemand, die een zware of donkere tijd achter de kiezen heeft, vaak met hulp van anderen weer opkrabbelt en het leven opnieuw gaat omarmen. ‘Soms zie je even in het leven zomaar iets van God’. Dat geeft het gedicht ons mee dat straks nog zal klinken.

Ter overweging (3)
Maar gelovig of niet − moet je vandaag de dag niet nuchter concluderen: dood is dood? Jonge mensen groeien op met YOLO: You Only Live Once, en willen dan vaak het onderste uit de kan. En veel ouderen zeggen hen dat na. Zijn alle grote verwachtingen over iets na de dood niet een vorm van luchtfietserij? En kunnen gelovigen niet nuchter onder ogen zien dat ze sterfelijk zijn en dat alles vergankelijk is. Opnieuw ken ik weinig behoefte zulke gedachten als achterlijk van de hand te wijzen. Nee, ik begrijp ze best en kan er zelf iets van meevoelen. Het lukt me dan ook niet om stellig te verkondigen: ik weet zeker dat er iets is na de dood is. Het aardige is dat die gedachte ook in de Bijbel lange tijd ontbreekt en pas laat opkomt. Iemand als Abraham was daar nog helemaal niet mee bezig: oud worden – dat was je doel. En zelfs in het Nieuwe Testament heeft Thomas zo zijn twijfels. Hij gaat pas overstag als hij Jezus, na diens opstanding, zelf mag aanraken. Helaas, dat kunnen wij niet. Voor ons blijft het een kwestie van: niet zien en toch geloven.

Op de achtergrond is de grote vraag: zou de God, die we ervaren als de drijvende kracht achter ons leven, ons voorbij de dood ook weer tot leven kunnen wekken? Zou na de dood opnieuw die stem kunnen klinken die Abraham hoorde, die hem bij name roept en hem een nieuw bestaan belooft? En dan heb ik geen behoefte aan concrete hemelbeelden, nee, het zal altijd heel anders zijn dan we ons voorstellen. Het liefst, vertel ik wel vaker, houd ik het op een postume verrassing. Als kerk moet je er ook niet mee dreigen, zo van: zonder geloof ga je eeuwig verloren. Nee, laat dat maar aan God over, en richt je als christen vooral op het leven vóór de dood. Hoe geven we dat vorm, op zinvolle, liefdevolle en integere wijze. Daar heb je handen vol aan. Maar ook, zonder grote woorden te gebruiken, koesteren we de hoop op iets van eeuwigheid.

Iemand vergeleek sterven ooit met geboren worden en schreef daarover: als foetus leef je in een besloten ruimte, warm en veilig bij je moeder. En je hebt iets van: kijk, dit is leven – een beetje eten, slapen, drijven of dobberen. Maar dan gebeurt er opeens iets beangstigends: alles om je heen begint te schudden, je raakt op drift en wordt uit je veilige bestaan naar buiten gewerkt. En je vreest: dit is het einde, maar nee, het blijkt een nieuw begin. Je gaat niet sterven maar wordt geboren. Een nieuwe vorm van bestaan lacht je zomaar toe en je wordt gezien, gekend en bemind. Zou zoiets ook voorbij de dood onze toekomst kunnen zijn? Een nieuwe geboorte, een nieuwe wereld waar God ons omringt.

Waarom zou je eigenlijk geloven? Dat kun je niemand opdringen en niet iedereen heeft daar een antenne voor. Maar vandaag heb ik ter aanmoediging drie dingen aangereikt:
Ten eerste - gelovigen ervaren deze wereld niet als toeval, maar als een goddelijk initiatief dat zin en richting geeft aan ons bestaan, een bestaan waar we volop van mogen genieten en God dankbaar voor zijn.
Ten tweede – gelovigen komen in deze wereld allerlei sporen van God tegen, in de natuur, in allerlei gebeurtenissen en in het bijzonder in de ontmoeting met anderen. Dan zien we even iets van God.
Ten derde – geloof kan je geen eeuwig leven garanderen maar voedt wel de hoop dat de dood niet het einde is. We zullen dat, anders dan in Hebreeën 11, geen zekerheid noemen. Maar het schenkt ons wel, net als Abraham, een diep vertrouwen midden in dit onzekere en sterfelijke bestaan. Geloven is vertrouwen.
Amen

 
terug