Preek van zondag 7 juli 2019 Preek van zondag 7 juli 2019
Verschillig leven

Nog niet zo lang geleden trad een landelijke omroep naar buiten met de wervingscampagne: ‘Wees verschillig’. Dat is zo’n woord waarbij je denkt: ‘verschillig’, bestaat dat nu wel of niet? Ik heb het even voor u nagekeken in de Dikke van Dale. Het bestaat inderdaad wel, in de zin van: het is niet meer verschillig. Dat betekent zoiets als: het maakt niet uit, het doet er niet toe.  Maar in deze vorm ‒ wéés verschillig ‒ kan het eigenlijk niet. Toch voelen we meteen aan wat de bedoeling is van dit spel met woorden. De omroep met dit motto ‒ inderdaad, het was de VARA, toen nog zonder BNN ‒  daagt ons uit om het verschil te durven maken. Het verschil tussen een leven dat betrokken is op de naaste en de maatschappij, en ‒ zeg maar ‒ een achteloos leven van onverschilligheid, van zoek het allemaal zelf toch lekker uit. En daarmee kon dit motto wel eens een krachtige samenvatting zijn van de gelijkenis die we lazen. Het verhaal van Jezus over een barmhartige, empathische Samaritaan die, anders dan twee eerdere passanten, niet onverschillig blijft als hij een halfdode man op zijn pad vindt.  De kern van dat verhaal luidt kort en krachtig: wees verschillig!
Die woorden doen me denken aan Elie Wiesel, de joodse schrijver die drie jaar geleden, in juli 2016, overleed. Wiesel die eerder de Holocaust overleefde. Als variant op wat we lazen in Deuteronomium 30, schreef hij: het tegenovergestelde van leven is niet dood maar onverschilligheid. En zo is haat is volgens hem ook niet het tegenovergestelde van liefde, maar opnieuw: onverschilligheid, apathie. Want wie gevoelens van haat kent, is nog betrokken bij iets of iemand en wil ten diepste dat er iets gaat veranderen. Maar wie onverschillig wordt, die laat de boel de boel en gelooft nergens meer in. Niet in de liefde of het leven, niet in de toekomst, een nieuw begin. Die bekommert zich niet om iemand die halfdood in de berm ligt, zoals in de gelijkenis van Jezus. En die kan het vandaag de dag niet schelen dat er in deze wereld alleen al zo’n 30 miljoen kinderen op de vlucht zijn voor oorlog en geweld. Nee, die staart met een afwezige, apathische blik en met de hand op de knip naar de beelden uit Syrië of naar de bootjes op de Middellandse Zee. Onder het motto: dat is niet mijn probleem, dus val mij vooral niet lastig. De een heeft nu eenmaal geluk in het leven, de ander domme pech, en daar moet je het maar mee doen. Die houding stelt Elie Wiesel aan de kaak als hij beweert: niet dood of haat, maar onverschilligheid is de grote vijand van het leven en de liefde.
Onverschilligheid is daarmee volgens Wiesel de grote bedreiging voor ons samenleven in deze wereld. Dan hebben we het dus niet over machteloosheid – dat gevoel kennen we allemaal wel. Je zou anderen wel willen helpen en dingen zien veranderen, maar je kunt er zo weinig aan doen als klein mens in een wereld vol grootmachten. Je kunt de oorlogen en stromen vluchtelingen niet stoppen maar hoogstens voor mensen bidden en financieel iets bijdragen. Dat geeft vaak een machteloos gevoel. Evenmin is onverschilligheid hetzelfde als een gebrek aan moed. Want niet iedereen is ene held, niet iedereen zal durven wat deze Samaritaan hier doet. Want er zijn risico’s. Voor hetzelfde geld zijn de rovers nog in de buurt en wordt ook hij, als hij zich over het slachtoffer buigt, op zijn beurt overvallen. Ja, vandaag de dag vraag je je af of het geen truc of valstrik is. Wie zegt dat er achter de bosjes niet een paar handlangers klaar staan om jou leeg te kloppen. Zo is het al een paar keer in ons land voorgekomen dat iemand die een ruzie wilde sussen het zelf met de dood moest bekopen. Het is goed om betrokkenheid te tonen en barmhartig te zijn, maar dat betekent niet dat je geen goede afweging mag maken: wat kan ik wel en niet betekenen, wat zijn eventuele risico’s? Soms kan het beter zijn meteen 112 te bellen of andere hulp in te roepen dan zelf tot actie over te gaan en er zo maar tussen te springen.
We hoeven dus niet naïef te zijn. Iets dergelijks geldt voor de huidige stroom vluchtelingen aan de grenzen. Natuurlijk mag je er dan over nadenken wat Europa wel en niet aankan. Het is een heel verschil of er één iemand voor je ligt of op de deur klopt, of dat het 100.000 mensen tegelijk zijn. Dan is het niet onbarmhartig om onderscheid te maken tussen een oorlogsvluchteling en een economische vluchteling, want daar valt best veel voor te zeggen. Het is te simpel om op basis van deze gelijkenis te stellen dat iedereen die het minder heeft hier hoe dan ook welkom is. Zo kun je niet omgaan met de Bijbel, dat is echt te kort door de bocht. Maar wat evenmin kan, dat is achteloos je schouders ophalen bij het lot van een ander. Als zijn of haar leed je niets meer doet, als we het verzwijgen of wegpraten, dan is er iets goed mis. Ik denk aan wat nu heet de iconische foto’s van het verdronken jongetje op het Turkse strand, of aan de dode vader met zijn dochtertje op de oever van de Rio Grande. Als dat ons niet meer raakt, dan is er diep van binnen iets wezenlijks in ons gestorven. Dan ga je onverschillig door het leven, en dat ‒ vertelt de Bijbel ‒ heeft geen toekomst. Leven zonder barmhartigheid, zonder mededogen of empathie, dat is echt de dood in de pot.
Er is nog een tweede reden om bij Elie Wiesel stil te staan. Hij kreeg in 1986 de Nobelprijs voor de Vrede en ontving ook literaire prijzen. Zijn meest bekende werk is ‘Nacht’, een onthutsend boek over Auschwitz. Van zijn familie is de jonge Elie de enige die de vernietigingskampen overleeft. Zeer aangrijpend is het fragment waarin de kampbewoners getuige moeten zijn van een gruwelijk tafereel. De nazi’s hebben naast twee volwassen mannen een kind opgehangen. De jongen is te licht om meteen te sterven en kent een gruwelijke doodsstrijd. ‘Waar is God toch’, vraagt een van de omstanders wanhopig, ‘waar is de goede God?’ Binnen in mij, schrijft Wiesel dan, hoorde ik een stem die antwoordde: ‘Hier is God – hier wordt Hij opgehangen – hier aan deze galg…’.
Als joodse jongen zal Wiesel bij die ervaring niet aan de kruisiging van Jezus gedacht hebben. Maar er is grote verwantschap. Vaak wordt God nog gezien ‒ zelfs na Auschwitz ‒ als de regisseur die her en der aan de touwtjes trekt en zo de wereld naar zijn hand zet. Als er dan verschrikkelijke dingen gebeuren, kunnen mensen wanhopig naar het ‘waarom’ vragen ‒ waar is Hij toch?’ Maar in het evangelie zit eenzelfde omkering als in dit verhaal van Wiesel: zoek je God, zie dan die lijdende mens aan het kruis. En zie in het verlengde van dit kruis dat stervende kind aan de galg, en zie al die lijdende mensen, jong en oud, in deze wereld. In de lijdende Christus, in zijn kwetsbaarheid en pijn zie je hoe God aanwezig is in deze wereld. Hoe Hij daarin zichtbaar wordt, telkens opnieuw. Niet als de Big Boss die vrij willekeurig de een voorspoed gunt en de ander met nare ziekte of gruwelijke ellende confronteert. Nee, dat doen Griekse goden misschien, of andere afgoden, maar niet de God die Jezus zijn vader noemt. Deze God is liefde, is bewogen en verschillig.
Waarom deze uitwijding, gemeente? Omdat wij bij de gelijkenis van deze ochtend al te snel denken: die barmhartige Samaritaan, dat is Jezus. En op zich is dat geen gekke gedachte, want de goedheid van deze man heeft alle trekken van de naastenliefde die Jezus uitstraalt. Maar bekijk je het vanuit een andere hoek en graaf je een spa dieper, dan moet je misschien wel zeggen: die halfdode man die daar ligt, dat is Jezus – de gekruisigde . In hem komen we op het spoor hoe God, heel anders dan we vaak denken, in deze wereld aanwezig is. Hoe Hij onze nood en pijn deelt. En hoe Hij hunkert naar onze liefde, hoe Hij een appèl doet op onze betrokkenheid, onze verantwoordelijkheid en verschilligheid. Dan kent God een diep verlangen om in mensen, dus in ieder van ons tot leven te komen. Dan geven wij hem als het ware onze handen en voeten, en dienen we God door elkaar lief te hebben en te dragen. Zoals die Samaritaan.
Op die manier is deze gelijkenis meer dan een moralistisch verhaal dat ons oproept tot goede daden. Natuurlijk, ook dat blijft gelden: kijk naar elkaar om, verzorg elkaars wonden, draag elkaars lasten, wees elkaar tot zegen. Maar op een ander niveau laat deze gelijkenis ons met nieuwe ogen naar God en de wereld kijken. God hoef je niet ver weg, ergens achter de wolken te zoeken, maar kun je zomaar tegenkomen op straat. God vind je zomaar op je pad, in die ander die daar ligt, die jou aankijkt en een beroep op jou doet. Deze wereld is dus ook niet zomaar zonder God, leeg aan God. Want er kan zomaar iets van hem oplichten, in de lijdende Christus die ons telkens opnieuw aankijkt. Niet alleen in een joodse jongen die in Auschwitz aan de galg hangt. Ook in elk stervend kind voor wie in onze tijd geen veilige plek op aarde is. Ja, in elk lijdend mens die ons pad kruist.
Leef verschillig, zoals de geboden ons leren. Heb God lief met alles wat je in je hebt, en je naaste als jezelf ‒ het dubbelgebod van de liefde. Dat geeft Jezus ons mee in deze gelijkenis. Dat is wat Hij in zijn leven en zeker ook in zijn lijden bij ons wakker roept. Leven kan het winnen van de dood, liefde kan niet alleen onze haat maar ook onze onverschilligheid overwinnen. Dat gebeurt als we verschillig leven. Dan stellen we ons hoofd, hart en handen in dienst van de Eeuwige. Dan maken we God zichtbaar in deze wereld en zijn we zomaar even als Christus voor elkaar. Amen



 
terug