Preek van zondag 24 maart 2019 Preek van zondag 24 maart 2019

De vruchten van de vijgenboom.

Voorafgaand aan de korte gelijkenis over de vijgenboom gaat Jezus in op twee dramatische gebeurtenissen in Jeruzalem. In Lucas 13 komen ze in een paar woorden voorbij, zonder veel achtergrondinformatie. Het eerste drama betreft een groep Galileeërs die om het leven zijn gekomen door bruut geweld van Pilatus. Inderdaad, de Romeinse stadhouder of procureur die later ook rond Jezus’ dood zo’n dubieuze rol vervult. Waarschijnlijk gaat het nu om pelgrims die vanuit Galilea naar Jeruzalem zijn gekomen om daar het Paaslam of een ander offerdier te slachten. Dat maakt het extra triest. Deze gelovigen komen om terwijl ze hun religieuze plicht vervullen. Zoals je nu nog wel eens leest dat een bus bedevaartgangers het ravijn inrijdt. Hoe wrang is dat? En natuurlijk moet je meteen denken aan de moslims in Nieuw-Zeeland – Christchurch ‒ die tijdens een gebedsdienst in hun moskee zijn vermoord door een blanke racist. En aan de zwarte mensen in de kerk van Charleston die hetzelfde is overkomen.
In het geval van deze Galileeërs moet het bij het offeren gruwelijk uit de hand zijn gelopen. Blijkbaar was er iets dat Pilatus, die destijds bekend stond als een onberekenbare bruut, niet vertrouwde of zinde, en heeft hij hen toen genadeloos laten afslachten. Was dat een straf van God, willen de mensen van Jezus weten, omdat ze zondig waren, ja zondiger dan anderen? Zeker niet, luidt de ontkennende reactie van Jezus, zo werkt het niet. Op die manier weerspreekt Hij een hardnekkig misverstand dat niet alleen in het jodendom van toen rondging maar ook later in de kerk bleef doorzingen. Mensen zouden het onheil dat hen treft aan zichzelf te wijten hebben. Ja, ten diepste is het je eigen schuld. Daar doet Jezus gelukkig niet aan mee. Hier wijst Hij zo’n al te simpel, rechtstreeks verband tussen onheil en eigen schuld resoluut van de hand.
Dat blijkt ook uit het tweede geval. In Jeruzalem is de oude toren van Siloam omgevallen, en daardoor zijn 18 mensen omgekomen. De achtergrond is opnieuw onhelder. Was het de pure pech van een windstoot of aardverschuiving? Was het achterstallig onderhoud of de schuld van een malafide aannemer die ooit met goedkope materialen werkte? Ook zoets is ons vandaag de dag niet onbekend. Hoe dan ook, Jezus maakt opnieuw duidelijk dat de slachtoffers niet minder en niet zondiger zijn dan wie dan ook in Jeruzalem. Zo doorbreekt Hij een oude, hardnekkige traditie, als zou het onheil dat mensen treft steevast te herleiden zijn tot hun zondigheid. Ten diepste zouden we dat aan onszelf te danken hebben, of anders wel aan onze ouders of voorouders. Aan zulke vaak vroom verpakte maar heilloze gedachten doet Jezus niet mee.
Voor gelovigen is het best lastig daaruit los te komen. Uit dat beeld van een almachtige God die, als de grote regisseur achter ons leven en achter de wereld, de touwtjes in handen heeft en in alle dingen voorziet, zowel in het goede als het kwade dat ons treft. Het kost dan vooral moeite om toe te geven dat we in ons bestaan te maken kunnen krijgen met zoiets als ‘puur toeval’ of ‘domme pech’. We hebben vaak liever dat achter dat wat ons overkomt een reden zit ‒ ook al blijft die verborgen, en weet je die niet ‒ dan dat je zomaar overgeleverd bent aan iets als willekeur of het noodlot. Vroeger werd in religieuze kring bij tegenslag en rampspoed wel gezegd: het is geen Vreemde die het ons aandoet. Vreemde met een hoofdletter. Ofwel: liever God dan het lot. Liever de Almachtige in zijn ondoorgrondelijke wijsheid dan het blinde noodlot. Terwijl het evangelie in de persoon van Jezus toch echt iets anders zegt.
In de theologie speelt dat al eeuwen. Men zegt wel: sinds de grote aardbeving in Lissabon, in 1755. Maar in de kerk drong het maar heel langzaam door. Het is het volgens mij vooral het boekje van rabbijn Kushner geweest, begin jaren ’80, die velen op het andere been heeft gezet. Door zijn persoonlijke verhaal ‒  ‘Als het kwaad goede mensen treft’ ‒ werd het veel lezers duidelijk dat het echt niet de wil of straf van God is dat een kind leukemie krijgt, zoals het zoontje van Kushner. God is evenmin degene die talloze mensen wegspoelt met een cycloon in Mozambique en omliggende landen, of die af een toe een vliegtuig met al dan niet grote zondaars naar beneden laat storten. En ook de mensen die deze week te maken kregen met de dodelijke aanslag in Utrecht waren niet door God in die tram gezet omdat ze slechter waren dan anderen.
Nee, deze slachtoffers kregen op intrieste wijze te maken met puur toeval en domme pech. Ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plaats en werden daar het slachtoffer van een verknipte en criminele man. Iemand die meent, waarschijnlijk om zijn misdaad toe te dekken, zich ook nog eens op de God van de radicale islam te kunnen beroepen. Maar hoe dat laatste in elkaar zit, die mix van psychiatrie, verslaving, criminaliteit en radicalisering, dat blijft een moeilijk te ontwarren kluwen. Het is wel iets dat ons terecht grote zorgen baart. Zulke levensgevaarlijke mensen wil je gewoon niet tegenkomen als je in een tram, bus of trein stapt, en evenmin op andere plekken. En dat zeg ik hier, laat dat duidelijk zijn, zonder enige sympathie voor Thierry Baudet en andere boreale denkers. Die pleiten graag in groteske woorden voor simpele oplossingen. Helaas, die liggen niet voor het oprapen, die vragen om veel wijsheid – veel uilen – en veel geduld.
Jezus doet dus niet mee in de gangbare duiding van het kwaad dat mensen treft, als zou het een straf zijn voor een zondig leven. Vertil je niet aan zulke vragen, klinkt door in zijn reactie, verslik je niet in zulke gedachten waarmee je makkelijk de plank misslaat en anderen wegzet. Richt liever de blik op jezelf, ga eerst eens bij jezelf te rade om te ontdekken wat er scheef zit in je leven. Kom tot inkeer en ga daarmee aan de slag, zodat je leven niet op dood spoor raakt maar werkelijk tot bloei komt. Die boodschap verpakt Hij in de gelijkenis van de vijgenboom, het tweede deel van onze lezing. Een kort verhaal waarmee je meerdere kanten opkunt.
Om te beginnen past hier een persoonlijke uitleg. Dan verwijst die vijgenboom naar ons eigen leven dat nogal eens onder de maat blijft. Dat met het oog op het koninkrijk, zo weinig vrucht draagt. Dat vaak vol zit met vooroordelen en ander onhebbelijkheden, waardoor we elkaar geen recht doen. Dan staat ons leven niet in dienst van de vrede en gerechtigheid ‒ in de Bijbel verbeeld door de wijnstok en de vijgenboom – die God van ons verwacht. En dat is een groeiproces, laat Jezus doorschemeren, dat gedragen wordt door Gods genade en geduld. Tot drie keer toe mag de wijngaardenier de grond rond de boom omspitten en bemesten. Maar ook geeft Hij aan dat Gods geduld niet eindeloos is. De boom mag niet onbeperkt de aarde uitputten. Met het oog op het komende koninkrijk wordt van ons verwacht dat we volop meedoen en goede vruchten dragen. Vruchten van geloof, hoop en liefde, vruchten van vrede en recht. We hoeven echt niet perfect te zijn, maar we kunnen wel veranderen ten goede.
Dat is een eerste, meer persoonlijke uitleg. Maar ook op een andere, meer maatschappelijke manier laat deze korte gelijkenis zich actualiseren. Dan staat die dorre vijgenboom symbool voor de huidige klimaatcrisis, voor een aarde die niet bloeit maar kreunt onder uitbuiting en vervuiling. De crisis waarvan iets te veel mensen nog steeds denken dat we die wel kunnen negeren of zelfs ontkennen. Want goed, hier zal het voorlopig nog wel meevallen. Degenen die als eersten de prijs betalen zijn de arme vrouwen en mannen in ontwikkelingslanden. Nou dan, waarom zouden wij ons daar druk over maken? Dat vragen meerdere bewoners van het zo beschaafde Europa zich af.
Dat het niet wijs is daarmee in te stemmen, wordt weer eens duidelijk in een pas verschenen boek over ‘Groene Theologie’. Dat is een ecologische theologie die oog heeft voor alle leven op aarde, dus niet alleen voor dat van mensen maar ook voor dieren en planten en heel de natuur. De natuur waar we als mens niet zomaar bovenstaan maar zelf ook deel van uitmaken. We zijn uit dezelfde bouwstenen geschapen. Die Groene Theologie is een mooie aanvulling  op de Groene Bijbel die al eerder verscheen. Daarin zijn talloze passage gearceerd – natuurlijk in het groen ‒ die vertellen dat het God om heel de schepping gaat, en dus niet alleen om de mens. Daar lijkt het wel vaak op: dat geloven enkel iets is tussen God en mensen, een persoonlijke band, soms zelfs verengd tot ‘Jezus in je hart’. Dan doen de wereld, de aarde en heel de schepping hoogstens op de achtergrond mee, als een decorstuk in het drama tussen God en ons. Zo is het vaak uitgelegd, maar dat is uiterst eenzijdig en doet geen recht aan wat de Bijbel laat zien. Want het koninkrijk dat Jezus in woord en daad verkondigt gaat naast een nieuwe mensheid ook over een nieuwe wereld.
Iemand die dat indringend verwoordt is Paulus, in zijn brief aan de Romeinen. In hoofdstuk 8 van die brief lezen we dat de schepping barensweeën kent en daarom zucht en lijdt. Er is iets nieuws op komt, maar dat gaat niet vanzelf. Voor Paulus heeft niet alleen de mens maar ook de schepping bevrijding nodig. Ze is ten prooi aan zinloosheid en moet verlost worden uit de ‘slavernij van de vergankelijkheid’, schrijft hij, om te kunnen delen in de komende vrijheid en luister die God zal schenken. Achter zulke grote, hoopvolle woorden gaan complexe diepe gedachten schuil. Dat is meer iets voor een leerdienst of cursus, volgend seizoen misschien. Wel is meteen duidelijk dat voor Paulus heel de schepping meedoet in het heilsplan van God. Ook zij, die lijdt onder allerlei rampspoed in de natuur en nu ook onder ons menselijk gedrag, kijkt reikhalzend uit naar wat komen gaat. Samen met ons kan heel de schepping verlangen naar haar verlossing en voltooiing, naar de toekomst van God waarin al wat leeft tot bloei komt. Daar leven mensen in vrede met God en met elkaar en ook in harmonie met de natuur, rond hun wijnrank en vijgenboom. In het besef dat het God niet alleen om ons te doen is, maar om heel de schepping. In het verbond met de Eeuwige komt alles en iedereen tot bloei.
Zo vertelt Jezus ons in Lucas 13 een indringend verhaal, een gelijkenis waarin Hij zelf ook voorkomt. Want zien we hem niet verbeeld in die wijngaardenier? Die tuinman die het blijft opnemen voor de dorre vijg en vol liefde en geduld probeert die boom alsnog tot bloei te brengen. Dat is Jezus nog altijd: de wijngaardenier die ons bemest met zijn woorden en daden en begiet met zijn Geest. Die Geest die ons, schrijft Paulus, helpt in onze zwakheid en voor ons pleit met woordloze zuchten. Het is de Geest van Jezus die ons tot mensen maakt van vrede en recht. Het is de Geest van Jezus die deze wereld wil herscheppen tot goede aarde. Amen

 

terug