Preek van zondag 12 mei 2019 Preek van zondag 12 mei 2019
Religie zonder religie
Onlangs viel mijn oog op een aankondiging die ‒ zo heet dat tegenwoordig ‒ ambivalente gevoelens opriep. Van 4 tot 12 mei ‒ vandaag dus de laatste dag ‒ is het in Nederland de Nationale Romeinenweek. Er zijn tientallen activiteiten door het hele land en je kunt zelfs, schreef de Wijkse Courant, spectaculaire shows bewonderen. Want goed, het waren volgens Asterix en Obelix wel rare jongens, die Romeinen, maar ze konden ook wel wat. Ze stonden garant voor indrukwekkende bouwwerken en – ook in deze omgeving – voor een netwerk aan wegen. Niet van goud, zoals die van het nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21, maar goed begaanbaar. Zo lieten de Romeinen her en der hun sporen na. Wat echter vaak onderbelicht blijft – vandaar mijn ambivalente gevoelens – is het spoor van ellende en verwoesting dat ze trokken. Door dat enorme gebied rond de Middellandse Zee dat door de eeuwen met grof geweld veroverd werd. Een spoor ook van verkrachte vrouwen, want in de regel toonden Romeinse soldaten weinig respect. En een spoor van gekruisigde mannen. Want Jezus was niet de enige die op deze wijze de dood vond. Wie ooit de film Spartacus heeft gezien, over de slavenopstand in het Romeinse rijk, zal zich de oneindige reeks kruisen herinneren die langs de Via Appia stonden. Daar ondergingen volgens de overlevering zo’n 6000 slaven deze typisch Romeinse doodstraf.
Ook Jeruzalem kreeg er volop mee te maken. Want in het jaar 70 na Christus werd de stad, na een langdurig Romeins beleg, grondig verwoest. En ruim 60 jaar later ‒ na opnieuw een kansloze Joodse opstand, nu die van Bar Kochba ‒ gebeurde dit een tweede keer. Van de tempel bleef niet veel over. Wie nu in Jeruzalem komt, vindt daar alleen nog de Klaagmuur, de westelijke muur van wat ooit het tempelcomplex was. Eeuwen geleden werd dat complex verwoest door de Romeinen. Maar in de tijd van Jezus stond die tempel er nog wel. Daar ‒ in de winter, vertelt Johannes 10 ‒ is Jezus te vinden om Chanoeka te vieren, het feest van de tempelwijding en van het licht. Dat is best bijzonder, want op een of andere manier kende Jezus een haat-liefde verhouding met die tempel. Enerzijds komt Hij er graag rond de joodse feestdagen, zo blijkt ook weer uit de lezing van vandaag. Hij loopt rond in de zuilengang van Salomo, een overdekt gedeelte waar je goed met elkaar kunt praten en samen kunt leren. Anderzijds toont Jezus ook zijn ongenoegen met de tempel, als Hij het plein met alle handelaars schoonveegt. Dat doet Hij behoorlijk hardhandig, ja met een zweep, aldus Johannes. In een verhaal dat hij niet aan het einde maar al aan het begin plaatst. Dat is opvallend en afwijkend in dit vierde evangelie. De tempelreiniging wordt niet aan het slot genoemd maar staat, na de proloog, meteen in hoofdstuk 2 beschreven. Daarmee wordt dit bij Johannes een uiterst betekenisvolle daad. Dit zit Jezus blijkbaar hoog, ja, hier ligt zijn hartstocht. Met een citaat van Johannes: ‘de hartstocht voor Gods huis zal hem verteren’.
Hoe zit het met die tempel? Die vraag wordt ook opgeroepen door onze tweede lezing, uit Openbaring 21. Daarin gaat het over het nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt uit de hemel. In dit visioen schittert de stad met haar 12 poorten door een overvloed aan goud en edelstenen. Toch boeit mij vooral dat ene zinnetje, waar staat: ‘maar een tempel zag ik niet in de stad’. Wat betekende dat toen, en belangrijker: wat betekent dat voor ons als kerk? Onwillekeurig moest ik denken aan het laatste rapport ‘God in Nederland’ van een paar jaar geleden, 2016. Eens in de tien jaar wordt daarin de balans opgemaakt hoe het er in ons land voor staat met kerk en geloof. Niet zo best, weet u ongetwijfeld, getalsmatig zet de terugloop gestaag door. Dat laatste rapport van 2016 spreekt daarom van ‘wijkend christendom’. Het aantal christenen blijft slinken, de kerk blijft krimpen. Je vraagt je dus af wat er over 25, 50 of 100 jaar nog van ons over is? Wordt er hier in dit mooie gebouw nog gekerkt? Of zijn hier in Wijk hoogstens wat kleine huisgemeenten die af en toe een zaal afhuren voor een gezamenlijke viering? Bij zulke gedachten heeft het visioen van Openbaring 21 bijna iets troostrijks: want het nieuwe Jeruzalem kan heel goed zonder tempel of kerk. Overbodig, niet meer nodig met het oog op het koninkrijk of in het licht van de eeuwigheid. Hier wordt beloofd dat God zelf onze tempel is, dat Hij in ons en wij in hem wonen. God zal alom aanwezig, alles in allen zijn. Alles zal in het licht en de liefde van het lam staan, van Christus zelf. Hij die niet als een wolf maar als een lam door het leven ging, en zo ook is gestorven.
Zo’n hoopvol visioen kan onze zorgen om de kerk relativeren. Toch blijven die ook bestaan. Want wat staat ons te wachten in een samenleving waarin het christendom ‘wijkend’ is? Niet dat het zomaar verdwijnt, want in ons land zijn nog altijd meer dan 3 miljoen mensen lid van een kerk. Maar onze samenleving kun je niet meer christelijk noemen. We zijn met elkaar ‒ zoals dat heet ‒ een postchristelijk tijdperk binnengegaan. Nu is dat niet nieuw. Want die boodschap kreeg ik al te horen toen ik halverwege de jaren ’70 theologie ging studeren. In de westerse wereld is een onomkeerbaar proces begonnen van secularisatie. Kerk en geloof zullen meer en meer uit de samenleving verdwijnen. Hoogstens krijgt geloof nog een plekje achter de voordeur, zolang als het duurt. In hoeverre is die voorspelling van toen uitgekomen? Voor een groot deel wel, kun je zeggen, voor een klein deel ook niet. Want religie staat ook weer volop in de aandacht, met name omdat de islam zich heeft gemeld. Niet altijd op een prettige manier, als je denkt aan de aanslagen en haatpredikers. Maar wel met de nadrukkelijke wens om openlijk te kunnen laten zien dat je gelovig bent en daarom meedoet aan bidden en vasten. Ook kerken merken ondertussen dat er iets aan het  veranderen is. Elke keer bijvoorbeeld ‒ of je er nu van houdt of niet ‒ is er in de Stille Week die verrassende belangstelling voor The Passion, waar mensen vanuit een heel verschillende motivatie achter het witte, lichtgevende kruis aanlopen. Ook zijn er met enige regelmaat mensen die eerlijk vertellen dat ze niet zomaar klaar zijn met God en geloof. Joost Zwagerman publiceerde net voor zijn dood een bundel gedichten over God. Nogal wonderlijke teksten, maar zeer de moeite waard. En iemand als Stephan Sanders vertelt regelmatig, in de krant en ook daarbuiten, hoe kerk en geloof hem opnieuw zijn gaan boeien. Stuk voor stuk tekenen dat de toekomst zich niet zomaar laat voorspellen.
Wat mij betreft is er dus geen reden tot paniek. Maar evenmin tot optimisme. Wat hoe dan ook nodig lijkt, dat is grondige zelfreflectie. Wat hebben we gedaan met de boodschap van Christus? In hoeverre heeft de kerk echt in dienst gestaan van het koninkrijk van God, in hoeverre was ze eerder een sta-in-de-weg? Is ze niet dikwijls vastgelopen in bijzaken en op zijwegen beland? Ja, is het geen wonder, een klein godswonder, dat ondanks alle miskleunen en zwarte bladzijden de kerk nog altijd bestaat? Deze week besprong me dat gevoel weer eens, toen zich eindelijk, na 400 jaar, een soort verzoening voltrok tussen PKN-protestanten en Remonstranten. Na een synoderuzie in Dordrecht over de predestinatieleer die voor ons bijna niet te volgen is. Ooit vroeg een katholieke collega of ik een groep parochianen die dubbele predestinatie van Dordt wilde uitleggen. Toen ik een poging deed, vielen ze bijna van hun stoel. God zou alles al voor onze geboorte bepaald hebben: niet alleen wie er behouden wordt maar ook – dat is het dubbele ‒ wie er voor eeuwig verloren gaat. Alles was bij voorbaat al los van ons beslist. Hoe is het toch ooit tot zulke wonderlijke gedachten gekomen? En wat heeft er door de eeuwen heen veel macht en dwang geheerst binnen de kerken, de katholieke inquisitie, de protestantse scherpslijperij. Hoe kan het toch dat kerken zo vaak een bolwerk werden van stelligheid en zelfgenoegzaamheid, vol van het eigen gelijk? Hoe kan het dat allerlei wolvengedrag de navolging van Christus zo vaak heeft overwoekerd? Hij die ‒ benadrukt Johannes graag ‒ als een lam in ons midden was. Ja, er is door de eeuwen heen veel dat om herbezinning vraagt
Ik moet ook terugdenken aan vorige week. In het weekend van 4 en 5 mei stond de krant vol met boeken over de Tweede Wereldoorlog. Ook daarin komen uiterst pijnlijke vragen aan de orde. Bijvoorbeeld naar de kuddegeest onder Duitse christenen. Hoe kan het toch ‒ om het bekende beeld uit Johannes 10 te nemen ‒ dat ze als volgzame schapen niet achter Jezus maar achter Hitler aanliepen? Hoe kon het dat ook in andere landen veel christenen, zelfs als ze het opnamen voor de joden, tegelijk vol zaten met antisemitische gedachten? Op een of andere manier deugden ze niet. Ook dat is een pijnlijke rode draad in de geschiedenis van het christendom. Niemand minder dan Maarten Luther, de grote kerkhervormer, zat vol anti-joodse vooroordelen. Dat alles vraagt om grondige herbezinning. Van al die terechte kritiek moeten we leren. Ook van atheïsten, schrijft de Tsjechische theoloog Tomas Halik in één van zijn boeken. Hij kan zich vaak goed in hen herkennen. De God waar jullie afscheid van namen, geeft hij zijn atheïstische vrienden mee, is vaak ook niet de mijne. Maar, voegt hij daar dan aan toe, jullie afscheid van God is overhaast. Je moet ook geduld hebben, geduld met God, om opnieuw te ontdekken wat Hij met je doet en waar Hij te vinden is. Zoals we dat ook binnen de kerk moeten herontdekken. Te lang hielden we vast aan woorden en beelden voor God  die niet meer geloofwaardig zijn. En dan wordt de kerk, net als de tempel dat voor Jezus kon zijn, een sta-in-de-weg.
Vandaag de dag wordt daarom wel gepleit voor ‘religie zonder religie’. Is er een vorm van geloof mogelijk zonder die schaduwkanten? Zonder macht en dwang, zonder kuddegedrag, zonder die stelligheid en dat stugge eigen gelijk. Zonder al die starre, vaak achterhaalde denkbeelden en pijnlijke vooroordelen. Ook zonder een overvloed aan ingesleten regels en verplichtingen. Zonder al die dingen die ons eerder vervreemden van God en van elkaar dan dat ze voor verbinding zorgen? Een kerk zonder zelfgenoegzaamheid, zonder triomfalisme, in dienstbare navolging van de lijdende Christus. In die zin kon Dietrich Bonhoeffer, de theoloog die aan het eind van de oorlog werd omgebracht door de nazi’s, al pleiten voor wat hij noemt een ‘religieloos christendom’. Van nabij zag hij hoe in Duitsland vrome christenen – een paar uitgezonderd ‒ massaal achter Hitler aanliepen. Hun geloof bleek weerloos tegen de oprukkende waanzin. Het leek in niets op wat Jezus ons aanreikt, leert en voorleeft. En dan is religie niet alleen onbetekenend maar kan het zelfs gevaarlijk worden. Een wereld vol zelfingenomen wanen waarin gelovigen hun ogen sluiten voor de ander.
‘Religie zonder religie’ is een oproep tot grondige herbezinning. Van een kerk die zichzelf onder ogen ziet en kan relativeren. Want het nieuwe Jeruzalem kent wel straten van goud, maar een tempel zag Johannes niet. Gods toekomst is gelukkig niet afhankelijk van de kerk. Maar we kunnen daar wel met elkaar aan bijdragen. Niet als schapen die zich als kuddedier gedragen. Maar als schapen die bewust kiezen voor de navolging van Christus. Hij die ooit de wolf en het lam zal samenbrengen en in vrede leert leven. Amen



 
terug