Preek van zondag 6 februari 2022 Preek van zondag 6 februari 2022
Verwondering
 
In ons kerkenwerk gingen gelukkig niet alle plannen de mist in door corona. Zo is afgelopen najaar wel een korte cursus over wonderen doorgegaan. Daarin verkenden we de wereld van de oudheid, zo’n 2000 jaar geleden. Zowel binnen de Bijbel als daarbuiten, dus ook bij andere volken dan Israël, kom je talloze wonderverhalen tegen. Hoe lees je die, vind je ze wel of niet geloofwaardig? En als je de nodige twijfels kent, misschien omdat je vandaag de dag zo weinig wonderen ziet gebeuren, kun je die verhalen dan toch waarderen? Bijvoorbeeld omdat ze je doen verlangen naar een wereld waarin iedereen gezien wordt, ook de underdog, en een wereld waaruit ziekte en rampspoed zomaar verdwijnen. Want zo kun je wonderverhalen ook benaderen, als uitzicht op een nieuwe hemel en aarde, waar alle nood en pijn voorbij zijn.

Op die cursus vertelden we elkaar ook wat we zelf ooit als wonderlijk hebben ervaren. Dat hoeven geen grootse gebeurtenissen te zijn, dat zit vaak in kleine dingen. Wonderen heb je in soorten en maten. Heel laagdrempelig kan iemand zeggen: ik leef dag in dag uit van verwondering. Die ken ik bij de geboorte van een kind of bij mijn eigen bestaan. Die ken ik bij deze wereld, de pracht van de natuur, het oneindige heelal. Of bij de wijze waarop ons lichaam functioneert en weer herstelt van ziekte. Vaak doen we of allerlei dingen heel vanzelfsprekend zijn terwijl dat niet zo is. Leven van verwondering wil daar bewust bij stilstaan, met een zekere bescheidenheid en dankbaarheid. We hebben onszelf niet gemaakt, het leven is geen eigen verdienste maar blijft hoe dan ook een wonderlijk geschenk.

Aan de andere kant van het spectrum staat het wonder in de strikte zin van het woord. Anders dan die meer algemene verwondering is er ook zoiets als een ‘echt’ wonder. Een gebeuren waarbij de natuurwetten opeens niet meer gelden maar even opzij geschoven worden. Dan hebben mensen even geen last van de zwaartekracht maar kunnen ze vliegen of over water lopen. Of dan zet God, zoals in een oud verhaal over Jozua, de zon even stil zodat deze leider van Israël al zijn vijanden kan verslaan.
Ook zijn er in de Bijbel, zowel in het Oude als Nieuwe Testament, meerdere mensen die, net als Jezus, af en toe een zieke genezen of zelfs een dode opwekken. Dat zijn ‘echte’ wonderen die naast iets moois ook iets moeilijks hebben: want gebeurden ze toen wel en nu niet meer? Dat is het lastige van wonderverhalen: als God kan ingrijpen, bij oorlogsgeweld, bij natuurrampen, bij ernstige ziekte, waarom gebeurt dat niet of zien we daar dan zo weinig van? Dan raken mensen teleurgesteld en kunnen ze zelfs hun geloof verliezen. Want wat hebben ze niet gebeden. Denk ook aan de kleine Rayan, het Marokkaanse jongetje van vijf dat in een diepe put viel en het ondanks alle inzet niet heeft overleefd. Bijbelse wonderen roepen dan verwachtingen op die helaas niet uitkomen. Je moet die verhalen dus niet overvragen. Nee, God heeft niet ingegrepen in Auschwitz.

Tussen die eerste twee ‒ leven uit verwondering, en het echte, strikte wonder ‒ is ook nog een derde categorie. Dat zijn zeg maar de wonderlijke ervaringen en wonderlijke gebeurtenissen die mensen kunnen meemaken. Niet op zo’n manier dat er onmiskenbaar bovenaardse krachten aan het werk gaan. Nee, de wereld wordt niet op de kop gezet, de natuurwetten gaan niet opzij, maar er gebeurt wel iets bijzonders. Tot twee keer toe komen we dat deze ochtend tegen in de Bijbel. Om te beginnen bij Jesaja, de profeet die rond 740 voor Christus een visioen krijgt in de tempel, een visioen waarin hij zich geroepen weet. In een wonderlijk tafereel ziet hij dat God hoog op de troon zit en omringd wordt door serafs, een soort superengelen met maar liefst zes vleugels. Over en weer roepen ze elkaar ‘heilig, heilig, heilig’ toe. En één van hen komt met een gloeiend kooltje naar Jesaja om zijn onreine lippen te reinigen. Best een wonderlijk, nogal vreemd verhaal, zo’n visioen. Al te nuchtere mensen zullen vermoeden dat Jesaja aan de opium heeft gezeten of dat om een andere reden zijn fantasie op hol is geslagen.

Toch is het minder vreemd dan we denken. Sowieso hebben mensen een grote verbeeldingskracht, weten we uit onze eigen dromen, en je ziet dat ook terug in de vele boeken en films die er verschijnen. En ook visioenen zijn niet vreemd. Door de jaren heen ben ik regelmatig mensen tegengekomen die zo’n bijzondere ervaring meemaakten. Bekend is met name de Bijna Dood Ervaring, daar is volop over geschreven. Maar ook zijn er allerlei andere ervaringen waar mensen vaak niet of nauwelijks over spreken, bang als ze zijn voor onbegrip of negatieve reacties. Een collega predikant had ooit een Jezusverschijning en ontdekte al snel dat ze niet de enige was. Ook al duurt zo’n ervaring soms maar enkele seconden, schrijft ze, dan kan het toch een ongelofelijke uitwerking hebben. Dat hoor ik ook van mensen die zoiets met me deelden. Dat kan een verschijning van Jezus of van een engel zijn die licht brengt in een donkere periode. Het kan ook een ontmoeting met een overleden geliefde zijn die troost brengt in een tijd van verdriet. Die is dan opeens heel dichtbij. Ook lees je af en toe dat iemand in de natuur een mystieke ervaring heeft waarin hij of zij boven zichzelf wordt uitgetild en zich één weet met alles. Dan groeit er een diep gevoel van verbondenheid, met God, met de wereld, met al wat leeft. Dat zijn stuk voor stuk diepe innerlijke ervaringen met vaak een enorme impact. Je wordt er een ander mens van, je gaat anders luisteren en kijken, je leert leven van de verwondering. Zoiets geldt ook voor Jesaja.
Deze wonderlijke ervaring in de tempel is voor hem het moment waarop hij zijn schroom overwint en zich in dienst stelt van God. Hij ging nog aarzelend de tempel binnen maar komt naar buiten als een bevlogen profeet. Iemand die zich geroepen weet en geen blad voor de mond zal nemen.

Ook in Lucas 5, gemeente, gebeurt iets wonderlijks. Daar doen de vissers, aangespoord door Jezus, de vangst van hun leven. Ook dit is geen wonder in strikte zin, geen doorbreking van de wetten van de wetten. Want je kunt soms op het goede moment op de goede plek zijn, daar waar zich een grote school vissen bevindt. Of andersom: soms zijn mensen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats en maken ze iets vreselijks mee. Maar in dit bijbelverhaal speelt ook iets anders. Net als bij Jesaja hebben we hier met een roepingsverhaal te maken. Jezus werft, nadat Hij eerst een tijd alleen rondtrok, zijn eerste discipelen. En dat zijn geen willekeurige mensen, nee, dat zijn onrustige godzoekers met van binnen een zekere onvrede. Net als dat geldt voor Jesaja, die niet kan aanzien hoe zijn volk onrecht bedrijft en aan het ontsporen is. Zoiets leeft ook bij deze vissers, met name bij Petrus. Hij verlangt naar verandering, een nieuwe wereld, een nieuw begin. Hij is ontevreden, ook met zijn eigen bestaan, omdat het niet voldoet aan wat hij zou willen. In zijn woorden lijkt hij sterk op Jesaja. ‘Ik ben een mens met onreine lippen’, belijdt deze profeet, ‘te midden van een volk met onreine lippen’. Het onrecht, de leugen, het nepnieuws regeert in zijn tijd.. ‘Ik ben een zondig mens’, belijdt Petrus op zijn beurt, in zijn ontmoeting met Jezus. Hij zou iets willen veranderen, maar het lukt hem niet, hij voelt van binnen onvrede en leegte. Dat wordt beeldend verteld in Lucas 5. Want deze vissers waren de hele nacht bezig maar hebben niets gevangen. De teleurstelling druipt eraf. Met lege netten en lege handen keren ze terug. Totdat Jezus voorbij komt en hun leven vult met nieuw perspectief. Daarvan getuigt die enorme vangst, een net vol vissen.

Leegte, is dat ook niet het grote probleem van deze tijd? Leegte in mensen die losraken van vertrouwde verbanden, die teruggeworpen worden op zichzelf en vaak eenzaamheid ervaren? We kennen het verhaal ongetwijfeld: de oude zuilen zijn ontmanteld, de kerken worden leger, het gemeenschapsgevoel staat onder druk. Wat verkocht werd als de nieuwe vrijheid, los van allerlei plichten of betutteling, is voor menigeen een diepe leegte geworden. Die wordt dan ingevuld met feesten en ander vertier, leuk voor af en toe, maar doodvermoeiend als het de zoveelste keer is. Die leegte schemert ook door in overmatig drugs- en alcoholgebruik, in allerlei andere verslavingen en in de onstuitbare behoefte van sommigen om te rellen en te vernielen. Beroepsdemonstranten en verkapte voetbalsupporters die vooral uitzijn op vechten met de politie en elkaar. Die leegte doet me denken aan een mooie zin uit de popmuziek. In het nummer Feel zingt Robbie Williams zo treffend: There is a hole in my soul – er zit een gat in mijn ziel. You can see it in my face – je ziet het in mijn gezicht. It’s a real big place – het is echt een grote plek. Is dat niet tekenend voor deze tijd: mensen met een diepe innerlijke leegte, een flink gat in hun ziel dat je terugziet in hun gezicht – in hun vaak holle ogen, strakke kaken of verbeten blik.

Er zijn kerken die menen dat je die leegte oplost met ‘Jezus in je hartje’. Maar zo simpel ligt het niet, laat Lucas ons zien. Als Petrus, Jacobus en Johannes alles achter zich laten en Jezus gaan volgen, dan worden ze meegenomen op een lange weg. Een permanente leerschool in hoe je bouwt aan een zinvol, gevuld bestaan. Aan een levende relatie met God en een diepe verbondenheid met elkaar. Ja, ook dat laatste hoort erbij. Jezus blijft niet alleen, maar zoekt en sticht gemeenschap, vertelt Lucas ons. Geloven in je eentje, je kunt het wel proberen maar het is vaak armoe troef. Bij Jezus loopt de levende band met God als vanzelf uit in de warme verbondenheid met elkaar, met oprechte aandacht en liefdevolle zorg over en weer. Dat is het volle leven met God en elkaar dat het evangelie ons schetst. Dat zullen de leerlingen van Jezus ervaren, nu ze hem gaan volgen. Dat is wat we als gemeente kunnen ervaren, als we in zijn voetspoor treden. Geen lege netten maar het volle leven. Amen

 
terug