Preek van zondag 4 september 2022 Preek van zondag 4 september 2022
De heer van de vliegen
 
In zijn bestseller ‘De meeste mensen deugen’ vertelt Rutger Bregman het verhaal van zes jongens die ergens in de Stille Oceaan met hun bootje op een onbewoonde eiland aanspoelen. Pas vijftien maanden werden ze daar gevonden, levend en wel. Je zou verwachten dat ze er een janboel van maakten of elkaar vroeg of laat de schedel hadden ingeslagen. Maar dat bleek geenszins het geval. Door een geweldige onderlinge samenwerking hadden ze allemaal weten te overleven, zelfs degene die een been brak. Ze maakten een moestuin, vingen water op in uitgeholde boomstronken en hadden een vuurtje gemaakt dat permanent brandde – een kunst op zich. Toen ze uiteindelijk door een schip gered werden, bleken ze in uitstekende conditie. Zie je wel, is de terugkerende boodschap van Bregman, dat de meeste mensen deugen. We zijn niet zo slecht als vaak beweerd wordt. In deze jongens kwam het beste naar boven.

Met dit verhaal zet hij zich af tegen de klassieker van William Golding, Lord of the Flies. In de tijd dat ik op de middelbare school zat, werd dat door bijna alle leerlingen gelezen. Mede dankzij dit boek won Golding later de Nobelprijs voor de literatuur. Het verscheen in 1954, niet lang na de oorlog, en schetst een somber, donker mensbeeld. Lord of the Flies is fictie, bedacht door Golding, en dus niet gebaseerd op een historisch verhaal. Een groep scholieren moet, als hun vliegtuig neerstort op een onbewoond eiland, met elkaar zien te overleven. Maar dat loopt volledig uit de hand. Al snel ontstaan er ruzies tussen rivaliserende partijen en gaan de jongeren beestachtig gedrag vertonen. Ze vechten elkaar de tent uit en er vallen zelfs enkele doden. De boodschap, sterk beïnvloed door de Tweede Wereldoorlog en misschien ook door Goldings naar het schijnt niet al te prettige karakter, is verre van optimistisch: er zit een beest in ieder mens. Ja, we raken – zeker in omstandigheden waar het laagje beschaving wegvalt ‒ gemakkelijk in de ban van duistere krachten. Zie je dat vandaag de dag ook niet terug in de scheldende burgers en de beroepsrelschoppers die her en der opduiken? Daar is de rem er helemaal af.

Bregman gaat daar niet zomaar in mee. Al weet je niet of zijn verhaal hout snijdt. Overleven met z’n zessen gaat het nog wel, maar bij grotere groepen ontwikkelt zich snel een hiërarchie met de bijbehorende rivaliteit en machtsstrijd, met name tussen de alfamannetjes. Daarvoor heeft Golding meer oog. Zijn verhaal biedt tegenwicht aan utopische gedachten, als zou de mens in wezen wel goed zijn, op wat lastige of lompe trekjes na. Dat soort wensdenken wordt keer op keer door de werkelijkheid weersproken. Zie ook de recente ontwikkelingen in Rusland waar talloze mensen blind zijn voor wat er gaande is en een onrechtvaardige oorlog vergoelijken.

Goed, ik zal hier niet doorslaan in het pessimisme dat je vaak in het christendom tegenkomt, gevoed door de gedachte aan een erfzonde. De joodse traditie lijkt meer in balans als gezegd wordt: in ieder mens zit zowel een hang naar het goede als een hang naar het kwade. Dat klinkt heel bijbels: beide neigingen, een drang ten goede en ten kwade, zitten in een mens en strijden dan om de voorrang. Vaak heeft het dan met iemands omgeving te maken, − met opvoeding, vrienden en allerlei omstandigheden − wat de overhand krijgt. Wie opgroeit in een crimineel milieu, gaat daar zelf vaak in mee. Maar omgekeerd gebeurt het ook dat iemand zich daar juist bewust uit losmaakt. Je bent nooit, of bijna nooit, zonder vrije wil. En hoe groot of klein die vrijheid is, die eigen vrije wil, dat blijft menigeen bezig houden. Niet alleen theologen en filosofen maar tegenwoordig ook hersenwetenschappers die onderzoeken hoe onze bovenkamer reageert op bij allerlei keuzen en situaties.

De titel van het boek van Golding – zo kom ik erop − vinden we terug in onze schriftlezing van vandaag, uit Lucas 11. Daar heeft Jezus het over Beëlzebul, de vorst der demonen. In het Nederlands vertaal je die naam met ‘de Heer van de vliegen’, in het Engels wordt dat the Lord of the Flies. Beëlzebul is de duivel in hoogsteigen persoon. De naam van Bäal klinkt er in door, de heidens god uit Kanaän, de stiergod van de vruchtbaarheid. Met die Baäl hadden de profeten in Israël het regelmatig aan de stok, met Elia in de hoofdrol. Denk aan de beroemde confrontatie op de Karmel. Deze Baäl heette voluit Baäl Zebub, dus met een b aan het einde. De heer van de hemelse woning, betekent dat. Maar dat werd door de Israëlieten graag verbasterd. Ze noemden hem spottend Baäl Zebul, de Heer van de vliegen. Je moet hem met een meppertje van je afslaan. En zo komen we hem eeuwen later, in de tijd van Jezus, tegen als Beëlzebul. De Baäl van weleer heeft zich ontpopt tot niemand minder dan de duivel. Die was niet in zijn eentje, maar had ook nog een leger aan helpers: demonen die allerlei onheil veroorzaakten. Ze dringen bij je binnen en maken je ziek, zowel lichamelijk als geestelijk. Voor genezing − kwam eerder bij Lucas voorbij in een verhaal over Legioen, de man die een leger aan boze geesten in zich had − was dan een exorcist nodig. Zo’n exorcist zou in staat zijn die demonen uit te drijven. Voor ons tegenwoordig een wonderlijke gedachte, maar in die tijd was dat vrij gewoon. Zo dacht men destijds over ziekte en genezing.

Ook in het verhaal van deze morgen heeft Jezus een demon uitgedreven, dit keer bij een man die niet kon spreken. Tegelijk blijkt Hij niet de enige die zoiets kan. Dat hoor je later in de woorden waarmee Jezus zichzelf verdedigt. Dat is nodig, want Hij krijgt opeens forse verwijten. Omstanders maken hem verdacht, Hij zou onder één hoedje spelen met de duivel, met Beëlzebul. Maar, vraagt Jezus dan: jullie eigen mensen drijven toch ook demonen uit? Ze doen hetzelfde, ze kunnen het ook, dus waarom beschuldig je hen dan niet? Zijn zij opeens wel dienaren van God en ik niet? Ieder die mensen probeert te genezen, zo lees ik in zijn woorden, ondergraaft het werk van de duivel en draagt bij aan de komst van het koninkrijk. Was Hij stiekem wel in dienst van Beëlzebul, dan zou het rijk van de duivel innerlijk verdeeld zijn, met krachten die elkaar tegenwerken. Net als een politieke partij vol onderlinge ruzie. Zo’n partij – we zien het nu gebeuren met Forum voor Democratie – gaat vanzelf ten onder. Te grote ego’s of alfamannetjes bij elkaar. Nee, als Jezus iemand geneest, dan overwint, ja dan ontwapent Hij de duivel, aldus dit gesprek. Werk me dus niet tegen, maar sluit je bij me aan. Wees niet tegen mij maar met mij, samen in dienst van het koninkrijk van God.

Bij het bestaan van de duivel, gemeente, mag u wat mij betreft een groot vraagteken zetten. Zeker, de wereld zit vol kwaad maar dat hoef je niet aan een zelfstandige boze macht toe te schrijven die af en toe in de aanval gaat. Daarmee komt het christendom in wat je noemt dualistisch vaarwater terecht. Er zou niet één God zijn – de kern van het bijbelse geloof ‒ maar in deze wereld zouden twee goden of machten elkaar bestrijden. Die gedachte zie je af en toe wel opduiken in de Bijbel ‒ meer in de zijlijn, met name onder invloed van andere culturen ‒ maar de hoofdlijn blijft toch het geloof in één God. Niet om daarmee het kwaad in de wereld te miskennen. Nee, dat is er in allerlei vormen van ziekte, noodlot, onrecht en geweld. Het kwaad zit in de natuur en ook in de mens. Maar niet als een duivelse figuur die weloverwogen een plan trekt en dan gericht nieuwe slachtoffers uitzoekt. Nee, het kwaad is veel meer een onpersoonlijke macht, als je al over een macht kunt spreken.

Wel kan zo’n duivel ons ervoor behoeden het kwaad in de wereld aan God toe te schrijven. Dat is de kracht van zo’n dualistisch wereldbeeld: daarin wordt het kwaad niet aan God maar aan zijn tegenstanders toegeschreven, de duivel met zijn demonen. Toch is het volgens mij beter om beide achterwege te laten. We zullen het kwaad niet ontkennen want het is helaas een bittere realiteit. Maar laten we het niet aan God toeschrijven, en evenmin aan een duivel. Dat blijft in deze tijd een belangrijke uitdaging in ons geloof. Wat ons wel verder kan helpen, is het besef dat we in een evolutionaire wereld leven, een wereld die in ontwikkeling is en blijft. Die evolutionaire wereld biedt ons naast veel goede ook veel kwade mogelijkheden. De natuur brengt naast bloeiend leven ook de meest dodelijke virussen en bacteriën voort. En naast al haar rijkdom en pracht zijn er ook de orkanen, aardbevingen en tsunami’s die alles in één klap teniet kunnen doen. Het kwaad zit dus op een of andere manier ingebakken in deze evolutionaire wereld. Te midden van wat daarin gebeurt, laat Jezus ons zien, staat God aan de kant van het goede leven. God staat voor herstel, voor onze genezing en groei, voor genade en vergeving waardoor onderlinge relaties kunnen herstellen, voor een vreedzaam samenleven waarin alle mensen en ook de natuur tot hun recht komen. Die goddelijke kracht, die gaven maken het leven goed, ook al is ons bestaan vaak onvoorspelbaar en voor velen heel zwaar.

En tegelijk blijft God een mysterie. Meer en meer zien we dat onder ogen. Er is maar weinig met zekerheid over God te zeggen. We willen hem graag zien van aangezicht tot aangezicht, zoals Mozes dat verlangt in Exodus 33. En zoals Paulus ons belooft in zijn brieven: ooit komt die dag, dan staan we oog in oog. Maar tot die tijd zal God altijd iets houden van een raadsel, een geheim, een mysterie. Leg je daar maar bij neer, lijkt Exodus te zeggen, en probeer het daarin samen uit te houden en vol te houden. Mozes mocht God even van de achterkant zien, in een flits, meer was het niet. En wat dat waard was, krijgen we niet echt te horen. Eerder, in Exodus 20, als hij de Tien Woorden ontvangt, was er even sprake van een donkere wolk. Terwijl het volk op afstand blijft, gaat Mozes de Eeuwige tegemoet in zo’n donkere wolk. Ook dat beeld voedt het mysterie.

Een middeleeuwse mysticus, Nicolaas van Cusa, heeft dat beeld tot het zijne maakte. Deze Cusanus spreekt van God als de ‘wolk van het onmogelijke’, voor hem een wolk waarin alle tegenstellingen samenvloeien. Hoe het leven in elkaar steekt, bedoelt hij, hoe het met goed en kwaad zit, en hoe God in de wirwar van deze  wereld aanwezig is, daar kom je nooit goed achter. Als in een donkere wolk is Hij ons nabij, maar antwoorden krijg je niet. Nee, denk niet dat God er is om onze vragen op te lossen, schrijft een andere theoloog: Tomáš Halík. Geloof lest niet onze dorst naar zekerheid maar het leert ons te leven met het mysterie. God is als een wolk om ons heen, en soms is die wolk donker, weet Exodus, soms ook vol van licht en vuur.

Wat we wel als houvast in handen hebben, gemeente, dat zijn de oude woorden die ons de weg wijzen. De Tien Woorden van Mozes, de Bergrede van Jezus. In Lucas 11 is er opeens een vrouw die positief op Jezus reageert. Zij krijgt van hem te horen: ‘Gelukkig wie naar Gods woord luisteren en daar naar leven’. Leef uit die rijke woorden, daarin vind je wijsheid en geluk. Dat zit ook in de woorden van Paulus als hij schrijft: laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. Beide zitten in ons, zo kwam al even aan bod: zowel goed als kwaad. En Paulus kent als geen ander de innerlijke strijd die dat geeft. Maar ook weet hij wat een mens nodig heeft om staande te blijven: de nabijheid van God, de liefde van Jezus Christus, de kracht van de heilige Geest. Daarmee kan − in deze wereld en in een mens − het goede telkens het kwade overwinnen. Amen

 
terug