Preek van zondag 29 november 2020 Preek van zondag 29 november 2020
Wie bent u – wie ben jij?

Vanuit Jeruzalem komen priesters en Levieten naar Betanië, de plaats waar een zekere Johannes aan het dopen is. Hij heeft mensen opgeroepen zich te bekeren van hun heilloze wegen en een wending aan hun leven te geven. Dat nu wekt de nieuwsgierigheid van het centrale gezag in Jeruzalem. Wie ben je? – vragen ze hem met de nodige achterdocht. Ben je de Messias, of de zoveelste die dat pretendeert? Daarop was men bijzonder gespitst, want dat leidde nogal eens tot onrust en opstand in het land. Ben je Elia? ‒ zeg maar een soort reïncarnatie van de grote profeet die als voorbode geldt voor de messiaanse tijd? Daar heeft Johannes alle trekken van, ook in zijn kleding, zijn kemelsharen mantel. Maar hier – in het vierde evangelie – wil hij daar niet aan. Ben je dan de profeet, luidt de derde vraag op rij. Voor ons blijft dat vaag, we weten niet goed wie men daar destijds mee op het oog had. Maar ook dit ontkent Johannes, hij is niet de profeet. Met een verwijzing naar Jesaja 40 typeert hij zichzelf als ‘de stem die roept in de woestijn’. Daar moeten ze het Jeruzalem het maar mee doen. De afgezanten zullen er niet gelukkig mee zijn. Daar kun je niet echt mee thuiskomen. En eh, willen de opdrachtgevers weten, wie is hij? Dat wordt een vaag verhaal. Die Johannes zegt weinig maar noemt zich met Jesaja  ‘de stem die roept in de woestijn’.
Wie is Johannes, wie is Jezus? Dat zijn de twee vragen die vandaag in onze schriftlezing voorbij komen? En ook in het geval van Jezus is die vraag niet zomaar te beantwoorden. In uw midden, aldus Johannes, is iemand die gij niet kent. Vreemd, alhoewel. Sowieso is dat kennen van een ander niet eenvoudig. Stel dat u de vraag krijgt: wie bent u? Hoe zou je daarop reageren? Meestal volgt hierop een vaste riedel: naam, leeftijd en woonplaats, eventuele relatie en kinderen, en tot slot je beroep, functie of dagelijkse bezigheden. Zo gaat het bijvoorbeeld in ‘Twee voor twaalf’, de bekende quiz met vaak moeilijke vragen en aan het slot een te vormen twaalfletterwoord. Die quiz noem ik niet zomaar, want komende vrijdag doet onze oudste zoon daar aan mee. Tien over half negen op Nederland 2. Uitkomst onbekend, maar het begin is voorspelbaar. ‘Wie bent u’, of ‘stel u even voor’, vraagt Astrid Joosten, en dan volgt ongetwijfeld de riedel die ik net noemde. Maar stel dat zij opeens zou door vragen, zo van: maar wie bent u eigenlijk? Wat zou jij zeggen, wat zou ik zeggen?
Misschien zou ik stamelend aangeven dat ik tot nu toe een mazzelkont ben, vrij optimistisch van aard en bevoorrecht met veel leuke en lieve mensen om me heen. En een nieuwsgierige, stugge godzoeker, in een wereld waar God niet makkelijk te vinden. Anders had ik hier niet gestaan. Maar ergens bevalt die vraag – wie ben je? – me ook niet. Alsof je identiteit vast te leggen is. Dan kun je jaren op zoek zijn naar zoiets modieus als je ‘diepste zelf’, alsof er op de bodem van je ziel een briefje ligt met een tijdloos antwoord. Nee, wie je bent is volgens mij levenslang in beweging. Een zoektocht waarop je later in je leven hopelijk wat meer zicht hebt dan in je jonge jaren of in een midlevencrisis. Wat wel herkenbaar is, dat is iemands worsteling met een verleden waardoor je leven beschadigd en uit balans is geraakt. Of de behoefte, als je onrustig bent en moe of gek wordt van jezelf, om een aantal bakens te verzetten. Dat zit dichtbij de vraag van Johannes de Doper, of je leven geen bekering, geen omkeer of verandering nodig heeft. Ook als het om God gaat, en de plek van geloof in je leven. Dat is wel weer een zinvolle vraag, soms ook een raadsel. Ben je wel degene die je zou willen zijn?
Of het nu om onszelf gaat of over de wereld - we weten niet zoveel. Dat hoor je ook van natuurwetenschappers die proberen door te dringen in de geheimen van het heelal. Hoe meer ze ontdekken, des te beter beseffen ze dat ze maar weinig weten en dat het aantal vragen eerder groeit dan afneemt. Zoiets geldt ook voor de wereld van het geloof. We lijken steeds dieper door te dringen in de rijke religieuze tradities van Oost en West, maar wat weten we nu eigenlijk over God? Er waren tijden dat de kerk meende God te kunnen vangen in welomschreven formules, al dan niet vastgesteld op een concilie of synode. Maar vandaag de dag kan dat steeds minder mensen overtuigen. Voor velen is God toch vooral een geheim waar we omheen cirkelen, een geheim waar weinig met zekerheid over te zeggen valt. Met enige bescheidenheid spreken we liever over hoopvolle vermoedens dan over onwrikbare waarheden.

Zoiets geldt ook voor Jezus. Vaak hebben we gedacht dat de Bijbel kant en klaar aangeeft wie Hij ooit was en wat Hij vandaag de dag voor ons betekent. Tegenwoordig lezen we de vier evangeliën eerder als vier boeiende benaderingen, vier pogingen om het geheim van zijn leven, sterven en opstanding te doorgronden. En dat geldt niet alleen voor de evangelisten maar ook voor briefschrijvers als Paulus, Jacobus en de anderen. Ze zoeken allemaal op hun manier naar namen, woorden en beelden voor Jezus. Dat doen ze ongetwijfeld zorgvuldig en vol toewijding. Maar voor iedereen gelden tegelijk de woorden van Johannes de Doper: ‘midden onder u staat Hij die gij niet kent.’ Dat was toen zo en is nu niet veel anders. Ook Jezus is niet zomaar in woorden en beelden te vangen.
Bekend voorbeeld is de titel ‘messias’, die ook Johannes krijgt voorgelegd, zoals we lazen. Op zich lijkt dat een passende benaming voor Jezus. Hij is toch de door God gezalfde; in het Hebreeuws: de Messias; in het Grieks: de Christus. Toch is met die titel iets vreemds aan de hand. Want als Petrus hem daar openlijk mee aanspreekt – U bent de messias – dan verbiedt Jezus hem op strenge toon om zo over hem te spreken. Waarom doet Hij dat? Je zou toch denken: eindelijk is bij Petrus het hoge woord eruit, en nu kan dit overal verkondigd worden. Toch niet, blijkbaar roept deze titel sterk uiteenlopende verwachtingen op. De één denkt bij ‘messias’ aan een koninklijke nazaat uit het huis van David, een strijdbare figuur die het land gaat bevrijden van de gehate bezetter, de Romeinen. In Qumran echter, bekend van de daar gevonden Dode Zeerollen, blijken mensen uit te kijken naar een priesterlijke messias. Die zou de laatste, definitieve uitleg geven van Gods geboden en beloften, van de regels van de Thora. Weer anders ligt dat bij de volgelingen van Jezus. Door hem denken zij bij ‘messias’ aan een lijdende rechtvaardige, wiens onterechte dood ergens heilzaam is voor de wereld. Dat is de bijzondere boodschap van het evangelie. Deze gekruisigde messias is niet mislukt maar brengt ons heil van godswege. Hij blijft een levend teken van Gods liefde.
In die tijd, kwam al even voorbij in mijn inleiding op de schriftlezing, leefden er dus allerlei verwachtingen naast elkaar. Waarschijnlijk is dat voor Jezus een reden om zelf een slag om de arm te houden. Er kan verwarring ontstaan als deze messiastitel in het openbaar wordt gebruikt. De één gaat hem als een vrijheidsstrijder zien, de ander als een Esseen uit Qumran, en dat zijn nog maar twee van de mogelijke misverstanden. Trouwens, zoiets geldt ook voor andere titels die aan Jezus worden toegekend. Neem het bekende ‘zoon van God’ of  ‘zoon des mensen’. Ook daarover doen veel misverstanden de ronde. Zo is ‘zoon van God’, anders dan velen denken, in de Bijbel een voluit menselijke figuur. Een koning kan zo heten, of een profeet of andere charismatische figuur die zijn leven volledig heeft toegewijd aan God. Omgekeerd is de Mensenzoon juist een figuur van goddelijke allure. Een kosmische rechter die neerdaalt op de wolken om hier op aarde het laatste oordeel te voltrekken. Die Mensenzoon scheidt de schapen van de bokken. Dat lazen we hier twee weken geleden nog in de gelijkenis over het laatste oordeel (Matteüs 25) . Waarschijnlijk is het in onze beleving vaak precies andersom. Als ‘zoon van God’ zou Jezus goddelijk zijn, als ‘zoon des mensen’ volop menselijk. Ergens wel grappig, maar ook best verwarrend.

Dat ging misschien wat snel, gemeente, en ik kom er ongetwijfeld nog wel eens op terug. Wat ik maar wil zeggen is dit: laten we ons niet vastbijten in de namen en titels van toen, maar vooral ook nieuwe woorden zoeken voor nu. Wie is Jezus voor ons, wat betekent Hij in deze tijd voor ons geloof? Daarom eindig ik vandaag met drie hedendaagse titels. Ooit noemde iemand Jezus ons venster op God. Zo’n venster wil zeggen: Hij is transparant tot op de Vader, als we door hem heen kijken komen we God zelf op het spoor. Mooi beeld, mooi gevonden, maar misschien wel wat statisch. Daarom waardeer ik ook een tweede beeld, dat van Jezus als onze gids. Want een goede gids zet mensen in beweging en gaat zelf voorop. Zo mag je Jezus onze gids tussen hemel en aarde noemen: Hij brengt God bij ons en ons bij God. Een mooi dynamisch beeld., minder statisch dan zo’n venster.
En dan is er die derde titel die ik de laatste jaren zelf graag gebruik: Jezus als de belichaming van God. Want de Eeuwige zelf heeft geen handen en voeten, nee, God heeft mensen nodig die zijn liefde vormgeven en op die manier God belichamen in deze wereld. Precies dat zie je Jezus keer op keer doen, vertelt het evangelie. Hij spréékt niet alleen ‒ van goedheid, genade, liefde en vrede ‒ maar geeft daar zelf meteen body aan: Hij ‘leeft God’, kun je zeggen, met hoofd en hart, handen en voeten. Heel zijn kwetsbare lichaam stelt Hij in dienst van Gods liefde. Het woord wordt vlees, wordt mens in hem, aldus Johannes.
Ook dit, besef ik, zijn drie namen en titels om in alle voorlopigheid te gebruiken: Jezus als ons venster op God, Jezus als gids tussen hemel en aarde, Jezus als belichaming van Gods liefde. Ze hebben niet zomaar het laatste woord. Want altijd weer gelden de woorden van Johannes de Doper, ook hier en nu: midden onder ons staat Hij die wij niet kennen. Amen.
terug