Preek van zondag 25 apr. 2021 Preek van zondag 25 apr. 2021

In en van de wereld
 

De leefwereld van Johannes heeft iets raadselachtigs. Dat merk je als je zijn evangelie leest, en de drie brieven die eveneens zijn naam dragen. Daarin proef je dat de vroegchristelijke gemeente waarin hij leeft onder grote druk staat. In zijn omgeving leeft allerlei weerstand, en regelmatig vallen er stevige woorden. Bij Johannes kan Jezus over wolven spreken die het voorzien hebben op de kudde. Ook doet hij harde uitspraken over de Joden die de duivel tot vader zouden hebben. Je proeft daarin een spanningsveld va de gemeente van Johannes met de synagoge. Zulke harde woorden kom je bij de andere evangelisten niet tegen. Johannes geldt dan ook niet, als het om de historische Jezus gaat, als de meest betrouwbare getuige. Wel is hij een interessante en uitdagende stem binnen het Nieuwe Testament. Met mysterieuze, lastig te doorgronden uitspraken die ons eeuwen later nog steeds te denken geven. Dat geldt evengoed voor bijbelwetenschappers, ook voor hen zit Johannes vol raadselachtige kwesties waar ze hun handen vol aan hebben. Onderling zijn ze het dan vaak grondig oneens over hoe je hem moet lezen en duiden.
Een van die lastige kwesties is het negatieve oordeel over wat Johannes steevast ‘de wereld’ noemt. Wat staat hem daarbij voor ogen, wat bedoelt hij daar precies mee? Die ‘wereld’ kan gelovigen meezuigen in een verkeerde, misleidende manier van leven, en dus vervreemden van het evangelie. Volgens Johannes heeft Jezus zijn leerlingen weggeroepen uit de wereld. Om die reden is de wereld hen gaan haten. Vandaag lazen we in de eerste Johannesbrief deze stevige woorden: ‘Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.’ Een scherpe tegenstelling die menigeen ooit heeft meegekregen in zijn of haar jeugd. Als christen was je wel ‘in’ maar niet ‘van’ de wereld? Want dat laatste was foute boel.

Zelf heb ik weinig met die tegenstelling. Vandaag de dag lijkt die grotendeels achterhaald. We staan als kerk niet tegenover de wereld, we proberen juist midden in de wereld te staan en dan op een zinvolle en heilzame manier daarin aanwezig te zijn. Goed, terecht kan vanuit kerk en geloof kritiek klinken op wat vaak ‘wereldse’ zaken genoemd worden. Als we dan maar niet vergeten dat die wereld ook volop in de kerk en in onszelf kan zitten. Voor Johannes, lazen we vandaag, gaat het dan om een drie dingen: zelfzucht, hebzucht en pronkzucht. Daar kun je van alles aan verbinden. Je kunt in de ban raken van verleidingen en verslavingen, die meestal te maken hebben met geld, macht en seks. Je kunt met jezelf te koop lopen, met je positie of bezit,  en overal showen hoe geweldig je wel bent. Je kunt ook kritiekloos opgaan in een cultuur die neigt naar oppervlakkigheid en onverschilligheid. Of je wordt meegezogen in een door eigenbelang gedreven wereld die enkel uit is op zelfverrijking zonder rekening te houden met je naaste en het milieu. Zo zijn er talloze  ‒ wat je noemt ‒ wereldse zaken die op gespannen voet staan met het evangelie. Die tegen Gods bedoelingen ingaan en zich uiteindelijk ook tegen jezelf keren. Want wat baat het jou, kan Jezus zeggen, dat je de wereld wint, maar schade lijdt aan je ziel. Hoe vaak zie je niet dat iemand enkel leeft voor z’n werk of welvaart, terwijl het op sociaal of relationeel vlak een slagveld is. Als mens werd hij of zij er niet aangenamer op. Inderdaad zijn het sterke benen die de weelde kunnen dragen.

Iets van die wereld komen we ook tegen in Jezus’ gelijkenis over een zaaier. Het zaad, dat ongetwijfeld symbool staat voor het woord dat Hij verspreidt, valt vaak niet in goede aarde. Het komt niet in vruchtbare grond terecht of wordt daar verstikt door de distels. Die distels, legt Jezus verderop uit, staan voor de zorgen om het dagelijks bestaan. In de oude vertaling stond dat het ging om de zorgen van de wereld, of zoals de Naardense Bijbel vertaalt: van deze wereldtijd. Dan denk je weer snel aan de overdreven begeerte naar geld en goed die het leven onvruchtbaar maken. Toch, en dat spreekt me aan, eindigt deze gelijkenis positief. Want de wereld krijgt iedereen niet zomaar in haar greep. Er zijn mensen, geeft Jezus aan,  die het woord horen, het in zich opnemen en vervolgens vrucht gaan dragen: dertig-, zestig- en zelfs honderdvoud. Een mens is blijkbaar ook in staat om geen slaaf van de wereld te worden en, mede geïnspireerd vanuit het evangelie, ongewone of tegendraadse keuzen te maken.

Wat mij betreft zijn we al met al beducht voor een valse tegenstelling tussen kerk en wereld. Alsof er in de wereld om ons heen geen goeds te vinden is, maar enkel dreiging of verleiding. Alsof – even onwaar ‒ de kerk door de eeuwen heen altijd zo’n bron van licht is geweest. Dat stemt helaas niet overeen met de praktijk. Hoe vaak geldt niet het omgekeerde: de wereld valt mee en de kerk valt tegen. Dat moest iemand als Abraham Kuijper, de grote voorman van de gereformeerden, al toegeven. Te vaak waren of zijn kerken nog steeds bolwerken van schone schijn, van conservatisme en kortzichtigheid. Men verzette zich fel tegen wat men zag als wereldse zaken, totdat men er zelf aan ging meedoen of alsnog door de bocht ging. Denk aan de positie van vrouwen, de aanvaarding van homoseksualiteit of het instemmen met de evolutieleer. Daarin was de buitenwereld vaak wijzer dan de kerk. En nog altijd is dit in sommige kringen een pijnlijke, om niet te zeggen beschamende  worsteling. Dat doet me denken aan een andere uitspraak van Jezus, dat ‘de kinderen van deze wereld slimmer met elkaar omgaan dan de kinderen van het licht.’ De wereld kan de kerk dus ook het goede voorbeeld geven. Met name als het gaat om nieuwe inzichten, om onderlinge tolerantie en acceptatie van wie anders is.

Vandaag de dag is het geen vruchtbare tegenstelling. We staan als kerk niet tegenover de wereld. Nee, we staan er midden in, en we kunnen over en weer dingen van elkaar leren. Laten we ook niet te vergeten dat het christendom mede vormgaf aan de wereld van nu. Het is een heel andere tijd dan die van Johannes. Toen leefde de pas ontstane kerk als een kleine minderheid in een vijandige cultuur. De druk op de eerste gelovigen was groot. Maar in de vierde eeuw na Christus is dat volledig omgekeerd. Het christendom veranderde van een vervolgde in een bevoorrechte godsdienst, en werd later zelfs de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Christenen die eerder een soort tegencultuur vormden, kwamen nu op hoge posities. Ze raakten betrokken bij de vormgeving van de samenleving. Ook na de val van het Romeinse Rijk is dat niet echt veranderd. Onze westerse wereld heeft dus sterk christelijke trekken. Ook in tijden van secularisatie zijn die nog volop aanwezig. Denk aan onze normen en waarden, denk aan alle positieve aandacht voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale wetgeving, dat heeft vaak mede christelijke wortels. En nog altijd denken gelovigen daar graag over mee. Zonder de pretentie dat ze alles beter weten en de waarheid in pacht hebben. Nee, iedereen maakt fouten, of je nu gelooft of niet. Wat mij betreft staan we dus met ons ene been in de wereld en met ons andere in de kerk. Dan raken die twee niet los van elkaar.

Wat kan dan onze rol zijn? Ik denk aan twee woorden: kritisch zijn en vruchtbaar zijn. Om te beginnen zijn christenen kritische burgers, die allerlei ontwikkelingen in de wereld goed in de gaten houden. Wat speelt er zoal in de wetenschap, de economie of de politiek. Veel, zo hoef ik u niet uit te leggen. Zo maakt onze democratie woelige tijden mee. Terecht wordt de vraag gesteld of de mens en ook de aarde daarin wel centraal staan, of dat het allemaal draait om machtspolitiek en eigenbelang? Is er wel voldoende oog voor ouderen, voor jongeren ook en voor de meest kwetsbare naaste? Tegelijk wordt de vraag steeds beklemmender hoe onze manier van leven uitwerkt op het klimaat en milieu. Onlangs bleek dat de temperatuur op aarde nog weer sneller stijgt dan verwacht. Christenen, die deze wereld niet zien als een schitterend ongeluk maar als schepping van God, mogen daar extra alert op zijn. God ‘zag’ dat het goed was, maar ziet Hij dat nog steeds?
Toch staan we niet als criticasters aan de zijlijn. Christenen willen ook volop deelnemen aan de wereld en daarin vruchtbaar zijn, zoals de zaaier in onze gelijkenis. Deze wereld moet ooit goede aarde worden, een nieuwe wereld van vrede en recht, een koninkrijk met toekomst voor al wat leeft. Wat God in ons heeft uitgezaaid, aan woorden, aan talenten en aan liefde, dat strooien we rond als vruchtbaar zaad in deze wereld. Zowel in onze directe leefomgeving als op ons werk, zowel in de samenleving als in de kerk. Wat God in ons leven uitzaait, kan zich zo dertig-, zestig-, ja hondervoudig vermenigvuldigen. Dat is de taak van gelovigen die zowel kritisch als vruchtbaar in het leven staan: we schrijven de wereld niet af maar willen haar juist tot bloei brengen. We willen haar, om het een tikje modieus te zeggen, samen een beetje mooier maken. Amen


 
terug