Preek van zondag 26 augustus 2018 Preek van zondag 26 augustus 2018

Brood voor alle mensen
 
Tot twee keer toe vertelt Marcus een verhaal over een broodvermenigvuldiging door Jezus. Matteüs neemt dat van hem over, ook hij kent twee van die verhalen. Maar Lucas niet, en ook Johannes houdt het bij één. Vanwaar deze verdubbeling bij Marcus? Twee maaltijden, dat is ‒ bijna letterlijk ‒ voer voor theologen. Zij gaan meteen op zoek naar de verschillen: waarin wijkt het tweede broodverhaal af van het eerste? Nu, dat is niet moeilijk, want aan het slot van ons fragment geeft Jezus zelf het antwoord. Daar bestraft Hij zijn leerlingen die blind en hardhorend zouden zijn. Want eerst – somt Jezus op ‒ brak Hij vijf broden voor 5000 mensen. En de tweede keer zeven broden voor 4000 mensen. Aan dat onderscheid voegt Hij het verwijt toe dat zijn leerlingen het nog steeds niet  begrijpen! Wat dan precies, is er zoiets als een clou die hen ontgaat? Dat is mij en ik vermoed vele anderen eerlijk gezegd ook niet meteen duidelijk. Wat is de dubbele bodem of diepere betekenis van deze verhalen? Waar gaat het hier werkelijk om? Brood is blijkbaar niet zomaar brood, en een wonder is blijkbaar meer dan zomaar een teken van bijzondere kracht.
 
Er is meer aan de hand. Laten we daarom eerst wat beter naar die getallen kijken. De eerste keer zijn er vijf broden voor 5000 mensen, en blijven er twaalf manden met brokstukken over. De tweede maaltijd gaat het om zeven broden, nu voor 4000 mensen, en blijven er zeven manden over. Wie een beetje vertrouwd is met de Bijbel, proeft meteen de symboliek. Vijf is het getal van de boeken van Mozes. Vijf boeken vormen samen de Thora, en zijn brood voor het hart voor de twaalf stammen van Israël. De eerste maaltijd die Marcus beschrijft, lijkt dus vooral op het joodse volk gericht: dat wordt door Jezus meer dan royaal gevoed.
In de tweede maaltijd ‒ ons fragment in Marcus 8 ‒ gaat het om zeven broden en later ook zeven manden: zeven kan net als het getal 70 verwijzen naar de volken rondom Israël. Aan deze tweede maaltijd, zo wordt gesuggereerd, nemen ook mensen buiten Israël deel, dus niet-joden. Dat zit ook in het getal 4000. Dat suggereert dat er uit alle windrichtingen van de aarde 1000 mensen komen, zowel uit noord als oost als zuid als west. Niet voor niets lazen we nu dat sommigen van ver zijn gekomen, een detail dat in het eerdere verhaal ontbrak. Jezus ‒ zegt Hij zelf ‒ vreest dat ze zonder eten zullen bezwijken op hun terugweg. Deze laatste maaltijd is blijkbaar voor mensen wereldwijd. Ook zij mogen meedoen.
 
Dat is een bijzondere ontwikkeling in het evangelie. In eerste instantie richt Jezus zich op mensen binnen Israël, met name in Galilea. Ze hunkeren naar houvast en troost, ze zijn als schapen zonder herder. Ze zijn op zoek naar wat wij tegenwoordig zingeving zouden noemen, en daarom onderwijst Jezus hen langdurig. Ze laven zich aan zijn verhalen en gelijkenissen. Ze leven op bij zijn boodschap van Gods royale en genadige liefde. En af en toe worden ze gevoed door zo’n overdadige maaltijd met brood en vis. Dat laatste roept de vraag op: is dat een broodwonder dat de bijzondere kracht van Jezus laat zien? Of is het een gevolg van zijn onderricht, en beginnen mensen ‒ die het beter doorhebben dan de leerlingen ‒ het voedsel dat ze eerst angstvallig bij zich houden opeens wel te delen met elkaar? Dan doen ze alsnog hun tassen open en ontstaat er spontaan een overvloedige maaltijd. Wat er precies gebeurt, lijkt het evangelie bewust open te houden. Er speelt van alles door elkaar heen waar je de vingers niet goed achter krijgt.

In de maaltijden van Jezus is iedereen gelijk. Iedereen mag meedoen, om te beginnen in Israël. Ook de mensen die met de nek worden aangekeken, ook wie geminacht worden vanwege hun armoede, hun volgens anderen zondige leven of hun lichamelijke gebreken. Bij God ben je welkom, ongeacht je status of achtergrond, ervaren ze bij Jezus. Je mag delen in zijn goedheid en genade. Dat zit verweven in zijn onderricht en maaltijden. God is er niet alleen voor de vromen en rechtvaardigen maar voor heel Israël. Hier spreekt de maaltijd een eigen taal, die van alle tijden en plaatsen is. Al etend vier je je verbondenheid met elkaar, bijvoorbeeld als familie. Ook kun je tussendoor dingen uitpraten en rechtzetten, en gaandeweg aan verzoening werken. Daar is het Familiediner van de EO een mooi voorbeeld van. Ergens in een restaurant, rond de tafel, probeert men het gesprek weer vlot te trekken dat ooit stagneerde of uit de hand liep. Zo spreekt de maaltijd de taal van feestelijkheid, verbondenheid en een nieuwe toekomst. In de Bijbel is dat een oud visioen dat vaak verbonden wordt met de komst van de Messias. En in dat visioen komen naast Israël ook de andere volken in het vizier. Want uiteindelijk is het de bedoeling dat iedereen aan dat gezamenlijke feestmaal deelneemt, in Jeruzalem, boven op de berg Sion. Daar zullen mensen de vrede leren die God voor ogen staat, te midden van de beste wijn en de heerlijkste gerechten. Dat is het visioen van Jesaja 25, zoals we dat bezongen in Lied 762: ‘De Heer heeft op zijn berg een feestmaal aangericht.’
 
Dat brengt ons bij die tweede maaltijd van Marcus. Nu wijzen de getallen en hun symboliek erop dat het om mensen buiten Israël gaat. Nu eet Jezus met 4000 anderen. En je vraagt je af: wat is er tussen die twee maaltijden gebeurd, tussen hoofdstuk 6 en 8 van Marcus? Twee opvallende dingen springen in het oog. Eerst is er een fragment waarin Jezus uitlegt dat een mens niet onrein wordt door zijn voedsel, dus door wat de mond ingaat. Nee, alleen wat uit een mens komt ‒ aan woorden, gedachten en daden – bepaalt volgens hem iemands reinheid. Dat is in zijn tijd een schokkende boodschap, met name voor joden die zich strikt aan de spijs- en reinheidswetten houden. Dat maakt hen anders, daarmee zonderen ze zich af. Als Jezus daar niet in meegaat, zet Hij dus de deur open naar anderen, ja ook naar niet-joodse mensen die als onrein werden gezien. Ook met hen zou je rustig aan tafel kunnen gaan om je brood te delen.
 
En dan is er in Marcus 7 die bijzondere ontmoeting met een Syro-Fenicische vrouw die Jezus weet om te praten. Door haar laat Jezus zich overtuigen dat er voor God geen grenzen zijn. Hij geneest het dochtertje van deze buitenlandse vrouw. Zo mag ook iemand buiten Israël delen in de aandacht en liefde van God. Een bijzonder moment in het evangelie: Jezus geeft zich gewonnen aan het appèl van deze vrouw. In hem vallen de verschillen weg, iedereen is welkom bij God. Zo zal er een nieuwe gemeenschap ontstaan waarin mensen elkaars gelijken zijn en samen eten: man en vrouw, jood en heiden. Dat proeven we in die tweede maaltijd, op een vage plek ergens in de woestijn, waar 4000 mensen bijeen komen uit alle hoeken van de wereld.
 
Dat is de kracht van het christendom geworden. Dat het allerlei grenzen overstijgt. Dat het mensen niet vastpint op hun status of nationaliteit, dat het mensen verbindt over landsgrenzen heen. De kerk kent geen ‘eigen volk eerst’. Wereldwijd kunnen we een en dezelfde God dienen, wereldwijd kunnen we instaan voor elkaar. Daarmee zal ik niet onze 2000 jaar oude traditie heilig verklaren, want we weten al te goed hoezeer telkens weer hokjesdenken en onderlinge strijd de eenheid hebben verstoord. Maar ook is er altijd iets van die oude dynamiek gebleven, waardoor mensen oog krijgen voor hun verre naaste, ook al komt die uit een heel andere cultuur. Dat zie je met name terug in de zending en het werelddiaconaat. Daar proberen mensen over grenzen heen anderen tot hulp te worden, en samen problemen het hoofd te bieden. Dat vind ik het mooie van de aandacht die er vandaag voor Encelia is, op het eiland Curaçao. Je merkt dat veel mensen in Nederland met een zekere achterdocht naar onze eerdere koloniën kijken. Nadat we er eerder volop van profiteerden, willen we nu graag dat ze hun eigen boontjes doppen. Dit project, in al z’n bescheiden, geeft een tegendraads signaal. Laten we ook nu meeleven met mensen op Curaçao en met hen verbonden blijven. En laten we het daar opnemen voor kwetsbaren kinderen en gezinnen die speciale aandacht nodig hebben, zodat ze niet ontsporen. Daar hopen we vandaag in en na de dienst bij stil te staan.
 
Tot slot dit, gemeente: we doen niet meer aan voorbereidingszondagen op het Avondmaal. Maar volgende week vieren we hier de maaltijd van de Heer. Die zondag had ons verhaal ook goed gepast. Want dan delen we dat ene brood waar allen van eten. Eén brood dat ons bepaalt bij het leven van Christus, bij zijn sterven en opstanding, bij zijn goedheid en genade, bij de troost en inspiratie die Hij ons meegeeft in de Geest. Op die manier is Hij zelf het ene, ware brood. Dat schemert ook door in Marcus 8. Ja, misschien zit daar wel het hardnekkige onbegrip van de discipelen. Ze blijven hun broden tellen, en beklagen zich als er, terug in de boot, nog maar één over is. Veel te weinig om met z’n allen van te eten. Maar ze hebben er geen oog voor dat Jezus in hun midden is als het ware brood. Brood in de brede, bijbelse zin van het woord. Zijn woorden en daden zijn als brood, net als zijn genade en vergeving. Brood is die royale, grensoverstijgende liefde, die Hij volhoudt tot in de dood. Jezus als het ware brood vertelt ons: waar Hij met zijn liefde aanwezig is, daar komt niemand tekort, daar is leven in overvloed. Dat brood blijft zich vermenigvuldigen in onze wereld, als wij zijn liefde delen met elkaar. Want waar we Jezus gedenken, daar laten we elkaar delen, zowel in ons geld en goed als in onze aandacht en liefde. Amen.
 


 

terug