Preek van zondag 24 jan. 2021 Preek van zondag 24 jan. 2021
Blijf in mijn liefde
 
‘Blijf in mijn liefde, dan draag je goede vrucht’. Deze woorden uit Johannes 15 kun je lezen als een vriendelijke aanmoediging. Zo van: kom op mensen, houd het vol met elkaar en zet een tandje bij als je geloof of de onderlinge verbondenheid aan het verslappen is. Dan lees je het als een aansporing om niet in te zakken en telkens opnieuw verbinding te zoeken: met Christus, met jezelf, met de ander en met de wereld. Op die manier hebben de zusters van het Zwitserse Grandchamp het thema uitgewerkt voor deze week van de oecumene: zoek die verbinding in vele richtingen. In die zin stond ook collega Inge de Jong er vorige week bij stil in de dienst uit Rhenen, de kerk waar we ook volgende week online aansluiting zoeken vanuit Wijk. Zo’n aansporing ‒ laten we niet verslappen of inzakken ‒ kan geen kwaad in deze periode.
Sinds ik een jaar of vijf geleden een tweedaagse cursus over het Johannesevangelie  volgde, denk ik dat je deze woorden nog wat scherper moet lezen. Niet zozeer als een aanmoediging maar als een waarschuwing. Zo van: als jullie als volgelingen van Christus niet in liefde met elkaar verbonden blijft, raak je hopeloos verdeeld en valt de gemeenschap in brokken uiteen. Daar had men helaas al enige ervaring mee in de kring rond Johannes. Bijbelgeleerden die zorgvuldig door zijn evangelie en ook door de drie brieven van Johannes zijn heengelopen, komen een gemeente op het spoor met de nodige breuken en barsten. Zo proef je de hoogspanning met de synagoge, waar men eerst in heeft meegedaan maar later mee brak. Waarschijnlijk met flinke ruzie, want in dit vierde evangelie staan een paar lelijke uithalen naar de joden. Ze worden Jezus in de mond gelegd, maar die felle woorden ‒ ze zouden de duivel als vader hebben ‒ zijn ongetwijfeld van latere tijd.
Verder proef je bij Johannes iets van de onderling spanning die tussen de regels door ook bij Paulus te lezen valt. Als Paulus in Romeinen 12 schrijft dat mensen vooral niet hoogmoedig, eigenwijs of wraakzuchtig moeten zijn, dan waren ze dat blijkbaar wel. Anders hoef je daar niet tegen te waarschuwen! En als Paulus benadrukt dat het alleen aan God is om onrecht te wreken of te vergelden, dan waarschuwt hij zijn lezers om dat vooral niet zelf te doen. Oordeel niet over elkaar, laat dat liever aan de Eeuwige over. Zo laat ook Paulus op zijn manier iets doorschemeren van de onderlinge verdeeldheid die hij tegenkomt . De eerste christenen waren nog onervaren in het oplossen van problemen en conflicten in hun gemeenschap. Het was niet eenvoudig om ‘in de liefde van Christus te blijven’. Niet voor niets is er daarom een kerkorde gekomen, om dingen in goede banen te leiden en de wanorde in de kerk te beteugelen. Zo’n kerkorde is al snel te dik, en ik kijk er maar zelden in. Maar hij is wel nodig in geval van nood, als er gedoe is.
‘Blijf in mijn liefde’ – dat thema bepaalt ons ook bij het niet-blijven, het grote afhaken dat hier in West-Europa al decennia lang aan de gang is. Veel mensen zijn niet bij de kerk gebleven. In het filmpje dat we vanuit de Wijkse kerken voor deze oecumeneweek op internet hebben geplaatst, heb ik dat al even aangestipt. En deze week maakte de PKN nog eens duidelijk hoe actueel dit is. Want landelijk verliest onze kerk per jaar zo’n 60.000 leden, deels door overlijden, deels omdat mensen zich laten uitschrijven. Dat laatste betreft vooral jonge mensen tot een jaar of 45. Kunnen we dat tij keren, is de vraag waar niemand een goed antwoord op weet. Want het is geen kwestie van een goede reclamecampagne. Twijfel en ongeloof hebben in onze samenleving volop om zich heen gegrepen. Ja, wat is er toch aan de hand, vraag je je af? Dat is niet eenvoudig  te zeggen, je krijgt het niet op één noemer, vaak lopen allerlei motieven door elkaar.
Zelf heb ik veel baat gehad bij de inzichten van Anton Houtepen, een oecumenisch theoloog van katholieke huize die in 2010 overleed. Hij zag in onze cultuur vier vormen van twijfel. Ik laat ze even voorbij komen. Er zijn mensen, zo begint hij, van wie het geloof is afgegleden als een jas die hen nooit goed paste. Ze kregen het wel mee maar het zat niet diep, ze waren er niet echt mee bezig, het boeide hen nauwelijks. Eigenlijk kun je niet zeggen dat ze de kerk zijn uitgegaan, want ze waren nooit echt binnen. Zoiets geldt ook voor veel jonge mensen: die zijn niet afgehaakt, nee, die zijn nooit echt aangehaakt. Jammer, maar het zij zo. Die vorm van twijfel en afhaken kun je ‘triviaal’ noemen, in de zin van onbeduidend. Toen er weer eens post kwam van de kerk, zeiden ze: ach, we moeten ons nog een keer uitschrijven.
Heel anders is het met mensen die zwaar teleurgesteld waren en vaak rancuneus afscheid namen. Boos op een geloof dat hen klein hield en onnodige schuld of angst aanpraatte. Boos omdat er voor hen geen ruimte was omdat ze anders waren ‒ niet wit, mannelijk en hetero. Of boos omdat de kerk dacht te kunnen bepalen wat ze moesten geloven en hoe ze moesten leven. Nou, daar bedankten ze hartelijk voor, dat konden ze zelf wel bepalen. Die rancuneuze twijfel kom je af en toe nog tegen, onder ouderen, maar is nu ook aan het wegebben. De jonge generaties hebben er weinig last van.
Heel anders is de twijfel van mensen – een derde groep ‒ die het verstandelijk niet rond kregen. Ze zagen geen kans hun geloof in God te verbinden met nieuwe inzichten. Met name de evolutieleer en de Big Bang brachten hen in verwarring, en ook andere ontdekkingen in wetenschap en cultuur. Of ze ontdekten een wereld aan religies buiten het christendom, en vroegen zich af: zitten al die anderen helaas fout, en hebben wij het toevallig bij het rechte eind? Dat is een vraag waar je in deze tijd niet meer omheen kunt. En heel specifiek stellen ze de vraag – Houtepen maakt daar een aparte, vierde groep van ‒ hoe het bestaan van God te rijmen valt met de bittere raadsels van ons bestaan? Met het onmenselijke lijden dat iemand ondergaat, met een ziekte als corona die duizenden doden eist, met een rampspoed die zomaar talloze mensen kan wegvagen van deze aarde. Dat gaat om het zogeheten ‘stomme leed’ waar niemand schuldig aan is maar op een of andere manier in de natuur zit. Als er een God is, waarom laat Hij dit alles toe, waarom grijpt Hij niet in? Vroeger hadden we daar als kerk nog wel eens een mooie, vrome verklaring voor. Vandaag de dag doen we er liever het zwijgen toe. Je wordt er ook stil van, als je ziet wat sommige mensen te verduren krijgen.
Dat spreekt me aan. Laten we zwijgen als we niet weten wat we moeten zeggen. En laten we die stilte gebruiken om tot herbezinning en zelfreflectie te komen. Wat is er zoal misgegaan in de kerk, waarom zijn allerlei mensen niet gebleven? En hoe kunnen wij – de blijvers, ondanks alles de volharders ‒ dat anders doen? Vaak wordt geroepen dat de Geest wonderen kan doen en alles anders kan maken, en dat zal ik niet ontkennen. Toch denk ik ook dat we daar niet teveel op moeten rekenen. Het kon wel eens een lange winter worden voor de kerk. Voordat er weer iets gaat gloren van een nieuwe lente.
Ja, we kunnen klein worden zoals in het begin, als die eerste gemeenten waar Johannes en Paulus voor schreven. Dat waren kleine huisgemeenten van naar schatting zo’n 50 tot 100 mensen, die met elkaar een liefdevolle gemeenschap probeerden te vormen. Dingen als hoogmoedig, eigenwijs of wraakzuchtig gedrag probeerden ze af te leren. Ze gingen zich oefenen in bescheidenheid, barmhartigheid en verdraagzaamheid. Zo probeerden ze, om het mooie slot van Romeinen 12 aan te halen, het kwade te overwinnen door het goede. Die woorden van Paulus waren een belangrijke drijfveer voor Herman Smit, zo gaf één van de kinderen me mee voor het afscheid van morgen. Laat je niet overwinnen door het kwade maar overwin het kwade door het goede. Daar heeft iemand als Herman ons in al zijn bescheidenheid het nodige van laten zien.
Wat de toekomst brengt, gemeente, weet geen mens. Maar de toekomst van de kerk heeft alles te maken met de woorden uit Johannes 15, aangereikt door de zusters van Grandchamp: ‘Blijf in de liefde van Christus, en draag goede vruchten’. Liefhebben, vrucht dragen en licht verspreiden in deze wereld ‒ meer kunnen we niet doen. Maar laten we vooral ook niet minder doen. Amen.

 
terug