Preek van zondag 21 augustus 2022 Preek van zondag 21 augustus 2022
Een dichte deur?

Er zijn christenen die geloven dat slechts een enkeling uiteindelijk door God gekend en gered zal worden. De overgrote meerderheid van de mensheid, inclusief hun gelovige broeders en zusters, zou reddeloos verloren gaan. Je komt dat met name tegen in de uiterste rechterflank van de protestantse wereld, in streng calvinistische hoek, in groeperingen die we kennen als gereformeerde gemeenten. Dat zijn dus niet – een bekend misverstand in de media − de gewone gereformeerden, de nazaten van Abraham Kuyper, die in 2004 met de hervormden en lutheranen zijn opgegaan in de Protestantse Kerk, de PKN. Maar dan gaat het om de zogeheten zwartekousenkerken, zoals het boek heet waarin Anne van der Meiden hen zeer respectvol beschrijft. Onder hen speelt sterk de vraag wie er wel en niet behouden worden, ja, ook in hun eigen kerkgemeenschap zou maar een enkeling door God zijn uitverkoren om gered te worden. Ooit kreeg ik mee dat hun onderlinge verschillen − want onvermijdelijk zijn er de nodige ruzies en afsplitsingen geweest – terug te brengen zijn tot de vraag: staat de deur bij God op een kier, zodat een enkeling naar binnen kan, of zit die deur helemaal op slot? Gelovige verdeeldheid, teruggebracht tot een kwestie van centimeters of millimeters.

Dat leidt in die kring tot grote onzekerheid, tot op het sterfbed: want je kunt wel gelovig zijn en trouw naar de kerk gaan, maar dat zegt niets over de vraag of je uitverkoren bent. Het kan heel goed zijn dat ze bij de smalle deur van Jezus te horen krijgen: Ik ken jullie niet! Waar komen jullie vandaan? Weg met jullie, onrechtplegers: de harde woorden van Jezus in het verhaal van vanochtend. Zoiets leefde ook sterk in de eerste eeuw van onze jaartelling. Rabbijnen vroegen zich af wie er wel en niet tot de mensen behoorden die God welkom zou heten. Voor hen vielen al snel de niet-joden af, de heidense volken. Maar ook binnen het jodendom kon je kansloos zijn, bijvoorbeeld diegenen die zich niet strikt aan de regels van de Thora hielden. En ook als je daar wel naar probeerde te leven, kon dat bij God nog wel eens te weinig zijn. Ja, kleine misstappen konden fataal zijn. We horen het terug in die angstige vraag aan Jezus: Heer, klopt het dat er maar weinigen zijn die gered worden?

In eerste instantie lijkt het erop dat Jezus dit bevestigt. Hij geeft aan dat velen er niet in slagen de smalle deur binnen te gaan. Maar even later spreekt Hij opeens verrassend royaal over groepen die vanuit oost en west en noord en zuid komen naar het grote feestmaal dat wacht in het koninkrijk van God. Onder andere gaat dat om mensen die je daar niet zou verwachten, in Jezus’ eigen woorden: om laatsten die de eersten worden. Dat gaat hier met name om mensen uit alle hoeken van de wereld, mensen uit andere volken die niet tot het jodendom behoren. Jezus’ boodschap aan zijn volksgenoten mag duidelijk zijn: denk niet dat alleen Israël bij God in tel is, die hoogmoed leidt al snel tot een vorm van onrecht, tot neerkijken op anderen. Heel de mensheid gaat God aan het hart. Bij hem kunnen de laatsten zomaar de eersten worden. Niemand heeft een streepje voor, niemand staat op het tweede plan. Voor Jezus is ieder mens een kind van God.

In minder orthodoxe kring, gemeente, zullen we vandaag de dag de vraag eerder omdraaien: zijn er mensen die niet welkom zijn bij God? Mensen die – om het klassiek te zeggen – uiteindelijk niet door hem worden gekend en gered. Niet welkom in de hemel, of liever: niet welkom in zijn toekomstige wereld, het komende koninkrijk, die nieuwe hemel op aarde waar Jezus zo graag over vertelt. Grote delen van de kerk hebben het vertrouwen dat God zo royaal en genadig is dat Hij een mens niet snel voorgoed afschrijft. Bij Jezus krijgt iemand toch altijd, of bijna altijd een nieuwe kans? Maar ja, wat moet je met de grote boeven in deze wereld? Met de verkrachters en beulen, met nietsontziende criminelen die iedereen die hen in de weg loopt laten liquideren? Wat moet je met oorlogszuchtige leiders die duizenden of miljoenen doden op hun geweten hebben? Deze vakantie las ik een boek over de Eerste Wereldoorlog, vaak botweg getypeerd als een gehaktmolen waarin duizenden jonge levens zijn doorgedraaid. Met als een van de hoofdschuldigen de Duitse keizer Wilhelm II, inderdaad die man van kasteel Doorn, die met zijn militaire apparaat de door hen vurig gewenste oorlog tot in de puntjes had voorbereid. Bij voorbaat namen ze voor lief dat talloze soldaten en burgers, met name in België en Frankrijk, zouden sterven door hun oorlogszucht. Ja, wat moet je met een Poetin die al tussen de twintig- en veertigduizend Russen heeft opgeofferd aan zijn oorlog − want dat is het echt: zijn oorlog − en die ook in Oekraïne al duizenden slachtoffers heeft gemaakt? Kan God nog iets met zulke mensen of zit voor hen de deur stevig in het slot, eens en voorgoed?

Er zijn mensen die ondanks alles een alverzoening bepleiten. Op den duur zou God alles en iedereen binnen de kring van zijn goedheid en genade trekken, dus ook een Hitler en Stalin, een Poetin en Taghi. Zeker, daar zal heel wat aan vooraf moeten gaan, aan zelfreflectie, inkeer en berouw – een soort vagevuur − maar dat zou Gods uiteindelijke doel zijn. Schemert zoiets niet door bij Paulus, als hij schrijft dat God ooit ‘alles in allen’ zal zijn. Pakkende woorden − God alles in allen − maar moeilijk te vatten. Heel de mensheid en heel de schepping raken doordrongen, zo vul ik het in voor mezelf, van de geestkracht en liefde van God. Niets en niemand zou daarbuiten vallen. Maar je beseft meteen dat het onvoorstelbare dingen zijn die je ver te boven gaan. Dat geldt eigenlijk voor alles dat naar de eeuwigheid verwijst. Je hebt allemaal zo je hoop, je gedachten en speculaties, maar je kunt er weinig zinnigs over zeggen. Of er zoiets als een smalle of juist brede toegang tot God is, of een soort alverzoening mogelijk is, dat gaat onze pet te boven. Eén ding is wel duidelijk bij Jezus: laten we geen onrechtplegers zijn, die door hem worden terechtgewezen. Laten we doen wat ons te doen staat, laat op aarde recht geschieden. Daar heb je je handen meer dan vol aan: recht doen aan elkaar, ook aan de verre naaste, met name aan de laatsten, de minsten op deze aarde die geen leven hebben. Laten we ook recht doen aan de aarde, aan heel de schepping in nood, aan de natuur die, zoals deze zomer opnieuw blijkt, zo veel te lijden heeft onder ons aller gedrag. Dat van burgers, boeren en buitenlui.

Deze taaie, weerbarstige bijbelpassage, gemeente, sluit verrassend af met een uitnodigend visioen. Vanuit alle richtingen ziet Jezus mensen naar het feestmaal komen dat wordt aangericht in het koninkrijk van God. Daar mag iedereen zich in zijn voetspoor een kind van God en zoon of dochter weten van Abraham, Isaak en Jacob. Zonder aanzien des persoons, als mensen die zich elkaars gelijken weten. Niemand is meer, niemand is minder. Iets van dat komende feestmaal vieren we als voorproefje nu al in de kerk, als we brood en wijn laten rondgaan. Als we met elkaar zo’n inclusieve gemeenschap vormen waar iedereen mag delen in Gods goedheid en genade. De kerk als tafelgemeenschap waar ieder mens gezien wordt en in tel is, zowel de eerste als de laatste. Amen

 
terug