Preek van zondag 20 februari 2022 Preek van zondag 20 februari 2022
Zaligsprekingen met waarschuwingen

Is het christendom een godsdienst van losers en kneusjes? Dat verwijt heeft het nogal eens gekregen. Bijvoorbeeld van de tegendraadse domineeszoon Friedrich Nietzsche, die bekend staat als de filosoof met de hamer. De kerk zou volgens hem een slavenmoraal prediken, voor slappe mensen die alles maar over zich heen laten komen. Die niet als vrije geesten het heft in eigen hand durven nemen, maar berustend hun lot ondergaan: hun armoede, honger, verdriet of vernedering. Daarmee prijst Jezus hen in Lucas 6 gelukkig. Is dat niet wat gelovigen al te vaak typeert? Volgzaam knikken bij wat autoriteiten als een kerk of paus hen voorschotelt. Christenen zouden niet op eigen benen durven staan en zelfstandig vorm kunnen geven aan hun leven. Of ze zouden ‒ ook dat is een veelgehoorde kritiek ‒ hun ongeluk als het ware koesteren. Ze denken dat lijden nuttig is of dat ze dat verdiend hebben. Bij zulke kritiek kun je je inderdaad wel iets voorstellen. Zit er in het christendom niet vaak een zekere verheerlijking van het lijden, een bijna masochistisch trekje? Lijden als een noodzakelijke weg om dichterbij God te komen, als een loutering en beproeving die je dan helpt los te komen van dit aardse bestaan. Dikwijls wordt dan op Christus gewezen: moeten wij ook niet iets van het lijden proeven dat Hij heeft ondergaan, tot op het kruis? Is dat niet op een of andere manier goed voor een gelovig mens?

Zulke gedachten hebben diepe sporen getrokken in de christelijke traditie. Ook vandaag de dag kun je ze nog tegenkomen. Voor alle duidelijkheid: dan gaat het niet dus over mensen die proberen het lijden dat hen treft, ook als dat zwaar is, moedig te dragen en in te vertrouwen ondergaan. Mensen die ‒ ondanks hun pijn en moeite, ja, ín dat alles ‒ zich gedragen weten door hun geloof. Dat is juist heel bemoedigend en laat zien hoeveel iemand kan doorstaan, gedragen door God en verbonden met mensen. Op die manier wordt lijden niet verheerlijkt. Dat blijft hoe dan ook een weerbarstige realiteit, maar iemand probeert daarin moedig een begaanbare weg in te vinden. Zonder dat lijden zomaar een diepere zin of betekenis krijgt. Tegen dat laatste ‒ lijden is nodig en zinvol ‒ groeit onder gelovigen een innerlijk verzet. In mijn ogen is dat terecht. Laten we niet doen alsof God ons wil zien lijden en klein of angstig wil maken. Wat Hem wel voor ogen staat, zien we terug in Jezus. In ons lijden schenkt Hij ons hoop en vertrouwen, Hij bezielt ons met geest- en levenskracht. En Hij leert ons hoe we elkaar tot steun worden door met aandacht en liefde in te staan voor elkaar, met name in tijden dat iemand lijdt aan het leven.

Zo laten de zaligsprekingen van Jezus zich dus heel anders lezen. Het klopt dat Hij armen en hongerigen, samen met bedroefde en beschimpte mensen hier‘gelukkig’ noemt. Maar niet als verheerlijking van hun situatie, alsof ze blij moeten zijn met wat hen is overkomen. Deze woorden laten zich lezen als een solidariteitsverklaring namens God. Hier laat Jezus zien waar Hij voor staat, in naam van de Vader, en wie Hij nabij wil zijn: deze onaanzienlijken, zij behoren tot zijn vrienden, met hen weet Hij zich één. Keer op keer verbindt Jezus zich aan wie door anderen worden afgeschreven  maar bij God volop meetellen. In naam van de Vader spreekt Jezus hen liefde en vertrouwen toe, zodat hun gevoel van eigenwaarde en zelfrespect kan groeien. Vaak is hun vertrouwen en zelfbeeld geschonden, want wat vind je jezelf waard als anderen steevast op je neerkijken? Zoiets gaat je niet in de koude kleren zitten – maar Jezus’ liefde voelt als een warme mantel om hen heen. Deze kleinen der aarde, ze worden door God niet afgeschreven. Integendeel, ze gaan in zijn komende Rijk voorop. In Gods nieuwe wereld mogen juist zij ‘gelukkig’ heten.

Lucas maakt duidelijk dat deze mensen met onrecht hebben te maken waar ze niet tegenop kunnen. Dat wordt duidelijk als de vier zaligsprekingen van Jezus gevolgd worden door vier ‘wee-woorden’. Wee de rijken en de verzadigden, wee de lachers en de mooipraters. Dat zijn de onverlaten die zich van dat onrecht niets van aantrekken en er misschien wel hun graantje van meepikken. Dat hoort echt bij Lucas, op deze manier vind je dat niet terug bij Matteüs. Als Jezus in zijn Bergrede meerdere zaligsprekingen verkondigt, dan ontbreken daar de ‘wee’ woorden vol felle waarschuwingen. Wel noemt Matteüs, net als Lucas, eerst de armen en treurenden. Maar daarop volgen niet hun bespotters of tegenstanders maar hun medestanders. Matteüs noemt dan de barmhartigen, vredestichters en zoekers naar gerechtigheid. Dat zijn degenen die zich het lot aantrekken van wie aan de onderkant leven. Samen gaan die twee groepen voorop in het komende Koninkrijk, aldus de Bergrede. Zij slaan de handen ineen.

Bij Lucas ligt het anders, hij zet het een stuk scherper neer. Bij hem bestaat de tweede groep die Jezus op het oog heeft niet uit sociaal betrokkenen maar uit onverschilligen: het zijn zelfgenoegzame mensen die zich niets aantrekken van de eerstgenoemde armen en treurenden. Die onverschilligen houden onrecht graag in stand, profiteren ervan of hebben er geen boodschap aan. Waar zouden zij zich druk om maken, rijk en gevierd als ze zijn, met hun onafscheidelijke glimlach. Dat is het beeld dat Lucas 6 ons schetst – er zijn in deze wereld ook mensen die het Koninkrijk liever niet zien komen. Je bent gewaarschuwd, zegt Jezus, want je staat God zelf in de weg. Dus keer je om, en overwin het kwade door het goede.

Ongetwijfeld, gemeente, is armoede vandaag de dag een ingewikkelder probleem dan in bijbelse tijden. Destijds, in een grotendeels agrarische samenleving, kon iedereen zien wie de ander tekort deed en financieel uitkleedde. Tegenwoordig is dat veel complexer. We maken ook mee dat mensen verarmen door zichzelf tekort te doen. Dan leven ze op bijstandsniveau maar geven ondertussen veel geld uit aan dure huisdieren of rokerij. Dat is niet verstandig, al kun je het moeilijk verbieden. Ook lees je dat arme mensen zo in de stress kunnen raken dat ze foute keuzen maken en bijvoorbeeld hun post niet meer openen. Met als gevolg dat kleine betalingsachterstanden door incasso’s snel oplopen tot torenhoge schulden. Daarom is het belangrijk dat op tijd goede hulp wordt ingeschakeld, vanuit de overheid of anders wel vanuit de kerken, in de persoon van een schuldhulpmaatje met wie je samen orde op zaken stelt,

Tegelijk moet je zeggen ‒ en dat blijft het oneerlijke in onze wereld ‒ dat in allerlei situaties het vaak de arme mensen zijn die de zwaarste klappen oplopen. Je ziet het bij een economische crisis of bij de nu weer snel oplopende inflatie. Dan zorgen de banken of grote investeerders er wel voor dat ze aan hun geld komen. Terwijl financieel zwakke mensen het zwaar te verduren krijgen. Al jaren geldt dat de rijken rijker worden en de armen armer. Owel in Nederland als wereldwijd. Dat is een onrecht dat terecht ook vanuit de kerkelijke wereld wordt aangekaart, bijvoorbeeld door Kerk in Actie, ook als we niet meteen de oplossing weten. Maar dat er grenzen zijn aan de zelfverrijking en dat eerlijk delen onmisbaar is, dat leert de Bijbel ons overduidelijk. Dat laat Jezus zelf ons zien in zijn zaligsprekingen, met name in de scherpe versie van Lucas. Gelukkig de één, en wee de ander!

Als we Jezus gedenken in het Avondmaal ‒ zijn leven, sterven en opstanding ‒ dan gedenken we ook de weg die Hij gegaan is, in verbondenheid met al die arme en verwaarloosde mensen in onze wereld. Ja, net als hen heeft Hij de vernedering aan den lijve ervaren, tot op het kruis. We gedenken eveneens, bij het lijden dat Jezus onderging, zijn vertrouwen op God als nabije vader en trouwe bondgenoot. En we delen bij brood en wijn ook zijn verlangen naar een nieuwe wereld van vrede en gerechtigheid. Wie daarnaar hongert, aldus één van zijn zaligsprekingen, zal verzadigd worden. Zo vieren we bij brood en wijn met Jezus het diepe verlangen naar een wereld van alom aanwezig geluk waar de bordjes verhangen zijn. De eersten worden de laatsten, de kleinsten gaan voorop.

Die nieuwe wereld begint waar mensen bereid zijn steeds weer samen te delen, zowel hun dagelijks brood als hun zorg om elkaar. Ja, dat is een oefening in het voetspoor van Christus die bij het Avondmaal begint. Telkens opnieuw breken en delen, zodat niemand tekort komt en het geluk van de zaligsprekingen alom zichtbaar wordt. Eerlijk delen, dat is niet iets voor losers of slappelingen, zoals Nietzsche dacht. Integendeel, dat is iets voor sterke mensen die hun eigenbelang overstijgen. Mensen die niet in ‘ik’ maar in ‘wij’ denken. Mensen die sterk zijn in hun geloof, hun hoop en hun liefde. Amen


 
terug