Preek van zondag 18 apr. 2021 Preek van zondag 18 apr. 2021

De toegift in Johannes

Twee zondagen geleden, op Paasmorgen, stonden we stil bij het vreemde slot van Marcus. Zijn evangelie eindigt heel abrupt, met drie vrouwen die wegvluchten van het lege graf van Jezus en vervolgens niemand iets vertellen. Die totale verwarring vond men op den duur zo onbevredigend dat dit abrupte slot in latere tijd werd aangevuld met berichten uit andere evangeliën. Die toegevoegde tekst, vertelde ik al op Pasen, staat dan tussen accolades of achter asterisken. Zo weet je als lezer: dit fragment behoorde oorspronkelijk niet tot het evangelie van Marcus maar is van latere tijd.

Bij het vierde evangelie, dat van Johannes, speelt iets dergelijks. Dat kent opeens nog een 21-ste hoofdstuk. Verrassend, want in hoofdstuk 20 lijkt het verhaal afgelopen. Daar eindigt de evangelist met een prachtige volzin. Hij had nog veel meer kunnen vertellen, schrijft Johannes daar, over Jezus als Messias en zoon van God. Maar wat hij nu verteld heeft, moet genoeg zijn, genoeg om in Jezus te geloven en in zijn voetspoor te gaan leven. Een mooie afronding, zou je denken, daar kunnen we het mee doen! Maar dan komt er toch nog een vervolg, ons hoofdstuk 21, waaruit we vandaag het fragment over Petrus lazen. Vreemd, zal ieder beamen die het thuis nog eens naleest. Vanwaar dat extra hoofdstuk, dat dubbele slot? Toen ik een jaar of vijf geleden een cursus over Johannes deed, kreeg ik een mooie verklaring mee. De kans is groot dat dit evangelie oorspronkelijk stopte bij hoofdstuk 20. Toen zette de eerste auteur een punt. Maar een andere schrijver heeft tien of twintig jaar later wat dingen aan dat verhaal veranderd, en er ook een extra hoofdstuk aan toegevoegd. Uit die nieuwe versie lazen we vandaag, versie twee of misschien wel drie of vier.

Zoals er ‒ zeg maar ‒ een tweede Marcus was, die de tekst van de eerste heeft aangevuld, zo was er ook een tweede Johannes. Hij heeft naast wat correcties waarschijnlijk nieuwe verhalen opgevangen over de verschijningen van Jezus na Pasen. Eerder, vertelt hoofdstuk 20, had Jezus zich aan Maria Magdalena laten zien, vervolgens aan zijn mannelijke leerlingen en tot slot op bijzondere wijze ook aan Thomas. Dat loopt uit op een laatste zaligspreking die Jezus meegeeft, niet alleen tot Thomas gericht maar tot ons allen: ‘gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’. De boodschap is duidelijk: wij als latere gelovigen zullen het, anders dan Thomas, zonder verschijning of ontmoeting moeten doen. Beste lastig: niet zien en toch geloven. Een mooie afsluiting, zou je zeggen, maar dan komt onverwacht nog die aanvulling. De tweede Johannes vertelt dat Jezus ook buiten Jeruzalem aan zijn leerlingen verschijnt, bij het meer van Galilea. Op zijn aanwijzingen doen zij daar een enorme vangst van 153 vissen, aldus het begin van hoofdstuk 21. En vervolgens vindt dan op de oevers van dat meer de rehabilitatie van Petrus plaats. Een confrontatie waarin Jezus ‒ of moet je zeggen: de tweede Johannes – hem niet ontziet. De grote Petrus wordt klein en gaat diep door het stof.

Vanmorgen lazen we hoe Jezus dat aanpakt. Tot driemaal toe klinkt, met kleine variaties, de vraag: Simon, heb je me werkelijk lief? En tot driemaal zal Petrus daar hartstochtelijk ‘ja’ op antwoorden. Als vanzelf gaan je gedachten naar de drie keer dat diezelfde Petrus op pijnlijke wijze Jezus bij zijn arrestatie had verloochend. ‘Ik ken hem niet’, bleef hij beweren toen omstanders hem daarop aanspraken. ‘Ik ken hem niet’ – het Hebreeuws of Aramees gebruikt in dit verband hetzelfde woord als liefhebben. Ook in het Nederlands speelt zoiets: van verliefde mensen kun je zeggen dat ze kennis hebben aan elkaar. Petrus heeft eerder zijn liefde voor Jezus driemaal ontkend, en belijdt nu driemaal dat hij juist wel bij hem wil horen. Hij heeft Jezus werkelijk lief. In eerste instantie ontziet Jezus hem dus niet, voordat de plooien worden gladgestreken. Pas dan kan Petrus weer volop meedoen in het werk, het pastorale werk dat hem te wachten staat. ‘Weid mijn lammeren’, geeft Jezus hem mee, en ‘hoed mijn schapen’. Het duister van de verloochening trekt op, Jezus plaatst Petrus weer in het volle licht. Zo toont Jezus zich hier de ware afgezant en getuige van de God die licht is en geen spoor van duisternis kent. Die prachtige volzin kwamen we tegen aan het begin van de eerste Johannesbrief. God is licht, in hem is geen spoor van duisternis.

Een mooie rehabilitatie. Petrus wordt aanvaard en vergeven. Maar waarom stond dat eerst niet in het evangelie, en in de tweede versie opeens wel? Hoe laat deze toegift in Johannes zich lezen? Over die vraag heeft menig theoloog zich gebogen. Je kunt er twee kanten mee uit. De een zegt: kijk, zo voegt het vierde evangelie zich alsnog bij de andere stemmen die Petrus zien als de leider van de kerk. Ook Johannes zou hier zijn speciale opdracht en positie erkennen. En dat zou een goede zaak zijn, want de kerk heeft nu eenmaal sterke mensen ofwel mannen nodig die de touwtjes in handen houden. Om te beginnen zijn dat de apostelen, met Petrus aan het hoofd. En wanneer zij wegvallen, zijn het hun opvolgers die aan het hoofd van de kerk dienen te staan. Op die manier heeft zich al vroeg in de kerk een soort hiërarchie ontwikkeld, met hogere en lagere ambten, en een duidelijke verdeling van de macht. In de katholieke wereld is die hiërarchie nog steeds aanwezig. Maar ook in de Anglicaanse kerk – denk aan de uitvaart gisteren van prins Philip ‒ zijn er nog duidelijk sporen van te zien.

Volgens anderen echter beoogt dit nieuwe slot van Johannes juist het tegenovergestelde. In hun optiek, die ik deel als goed protestant, wordt Petrus hier niet alsnog gepromoveerd tot kerkleider, maar juist gerelativeerd. Hij is niets meer dan een ander en kent als ieder mens zijn gebreken, soms hele grote. Petrus blinkt niet uit in zijn geloof of moed. Hij gaat lelijk de mist in en moet nu diep door het stof. Net als wij is ook hij aangewezen op de goedheid en vergeving van Christus. En zoals Petrus niets meer of minder is, zo past het niemand in de gemeente van Christus zich boven een ander te verheffen. Die benadering sluit goed aan op de kritische inslag van het Johannesevangelie, met zijn sterke nadruk op de onderlinge liefde.

Leiding geven, dat is geen probleem, maar Jezus wil niet dat mensen over elkaar gaan heersen. Heeft Hij niet zelf, op de avond voor zijn dood, als een knecht de voeten van zijn leerlingen gewassen? Dat lijkt de auteur van deze toegift te willen onderstrepen. Petrus kreeg nooit te horen: ‘jij wordt de baas!’ Wel krijgt hij van Jezus de opdracht zijn schapen te hoeden en zijn lammeren te weiden. Petrus, niet vrij van grote woorden en gebaren, moet dus vooral op de kleintjes letten, de lammeren, de meest kwetsbare medemens. Die pastorale taak krijgt Petrus niet zomaar eenmaal maar tot driemaal toe. Een opdracht die nog altijd actueel is, zowel binnen de kerk als daarbuiten: probeer niet over elkaar te heersen, maar wees elkaar tot herder en hoeder, ook als je in de positie verkeert om leiding te geven.

Bij dit alles, gemeente, is het ook een aangrijpend verhaal over iemand die zijn persoonlijke falen onder ogen moet zien. Die vraag is ongetwijfeld herkenbaar: als je ergens grote fouten maakt, hoe kun je daarmee leven, hoe ga je daarmee om? In het evangelie zie je op dat punt een scherp contrast tussen Judas en Petrus. Allebei gaan ze de mist in, Judas met zijn verraad, Petrus met zijn verloochening. Maar ze gaan daar heel anders mee om. Judas krijgt wel berouw maar verhardt zich en kan niet meer met zichzelf leven, hij kiest voor de dood en slaat de hand aan zichzelf. Petrus echter breekt open, van hem wordt verteld dat hij bittere tranen huilt om zijn lafheid. Hij verhardt zich niet maar toont diep berouw en durft zichzelf als feilbaar mens onder ogen te komen. Hij sluit zich niet af maar toont zijn verdriet, ook in het verhaal van vandaag, en laat zo zijn zachte en kwetsbare kant zien. Op die manier vertrouwt hij zich toe aan de genade van God, aan de liefde die hij keer op keer in Christus heeft ontmoet. Daaraan durft Petrus zich over te geven. Dat voorkomt dat hij acuut in de verdediging schiet, zichzelf opzichtig gaat rechtvaardigen of op den duur zichzelf zou gaan verachten. Geen smoesjes of halfslachtig verhalen vol zelfmedelijden die het alleen maar erger maken.

Ook dat maakt deze toegift van Johannes zo waardevol: hier wordt een berouwvolle Petrus gerehabiliteerd, een mens als wij, een mens van vlees en bloed. Hier opent zich voor hem een nieuwe weg, een nieuwe taak, een nieuwe toekomst. Zijn berouw, ons berouw, het is bij Christus veilig en vertrouwd. Ons duister wordt in zijn nabijheid weer licht. Amen


 
terug