Preek van zondag 16 januari 2022 Preek van zondag 16 januari 2022
Het raadsel van Kana
 
‘De raadsels van het vierde evangelie’, dat was het boek dat ik zo’n vijf jaar geleden moest doornemen op een cursus voor predikanten over Johannes. Heel systematisch komen daarin alle vragen en raadsels rond dit evangelie aan bod. Wat weten we over de schrijver, was hij een van de leerlingen van Jezus of toch niet? Leefde hij in Klein-Azië, het huidige Turkije, of moeten we eerder richting Syrië of Egypte kijken? En hoe betrouwbaar is het beeld dat hij van Jezus schetst? Klopt dat wel, als het om de feiten gaat, of is het de schrijver daar niet om te doen? Want zijn verhaal over Jezus lijkt geen historische biografie. Wel krijgt bij hem de bezinning op Jezus, op de betekenis van zijn leven, sterven en opstanding, een bijzondere wending. In vergelijking met de andere drie evangelisten heeft Johannes een geheel eigen kijk op Jezus. Zijn interesse is niet wat Jezus precies zei of deed, maar wat zijn blijvende betekenis is voor wie in hem geloven. Ja, waarom vermoeden we in Jezus iets wezenlijks van God te ontdekken, ja min of meer God zelf op het spoor te komen? Daarvan wil Johannes op zijn manier van getuigen. Niemand heeft ooit God gezien, blijft hij volhouden, maar in Jezus komen we dicht in de buurt. In Jezus worden we warm, kun je zeggen, als we zoeken naar God en zijn verborgen aanwezigheid in ons bestaan.

De raadsels van Johannes liggen meteen in het eerste hoofdstuk op ons bord. Bij hem vind je geen geboorteverhaal met Jozef en Maria, maar een nogal filosofische beschouwing. In Jezus is het woord van God vlees geworden, of zoals er nu staat: het woord is mens geworden. Gods woord ‒ zeg maar: dat wat God met ons voor ogen staat ‒ krijgt in Jezus handen en voeten. Hij geeft de onzichtbare God een menselijk gezicht. Een uniek begin, Johannes 1, en dat geldt ook voor het vervolg. Want ook het eerste wonderteken dat Johannes vertelt, in hoofdstuk 2, vind je nergens anders terug in het Nieuwe Testament: de bruiloft te Kana, het verhaal van vanochtend. Je zou denken: dat is niet gering, zo’n wonder, al dat water dat in wijn verandert! Dat moeten ook de andere evangelisten ooit gehoord hebben. Maar je zoekt het tevergeefs bij Matteüs, Marcus en Lucas. Hoe kan dat?

Raadsels te over, ik had er dit seizoen een avond over belegd die helaas niet door kon gaan. Want het is echt de moeite waard je daar samen in te verdiepen. Zeker als je de richtlijn van Pinchas Lapide aanhoudt. In een prikkelende uitspraak, misschien heb ik ‘m al eens eerder genoemd, zei deze joodse kenner van de Schrift ooit: je kunt de Bijbel op twee manieren lezen ‒ of je neemt hem letterlijk, of je neemt hem serieus. De kunst van bijbellezen is dus niet alles feitelijk nemen zoals het er staat, maar tussen de regels door zoeken naar de diepere betekenis. Dat geldt voor Johannes, een evangelie dat overloopt van symboliek, in het kwadraat. Neem zijn verhaal niet zomaar letterlijk, neem het serieus!
Je kunt je eindeloos afvragen – maar ik zou dat niet doen ‒ of Jezus echt water in wijn kon veranderen? Dan wordt de volgende vraag als vanzelf: waarom deed Hij dat niet midden op het tempelplein in Jeruzalem, zodat duizenden mensen er getuige van waren. Dat lijkt een betere plek dan zo’n boerenbruiloft in Kana, een gehucht in Galilea. Trouwens, wat is het eigenlijk waard dat door dit wonder de gasten niet nuchter blijven maar misschien wel stomdronken naar huis gaan, met zo’n 600 liter extra wijn? Ga er maar aanstaan, zes vaten water van elk zo’n 100 liter veranderen opeens in wijn. Hoe krijg je het op? Dat soort bedenkingen komen op als je dit verhaal zomaar letterlijk neemt. Maar neem je de richtlijn van Lapide serieus, dan ga je vragen stellen als: waarom vertelt Johannes als eerste wonder juist dit verhaal? Wat is de diepere bedoeling en betekenis? En wie hoopt hij hiermee te bereiken, wie probeert hij aan te spreken?

Om met dat laatste te beginnen: ongetwijfeld is Johannes in gesprek met de Grieks-Romeinse wereld om hem heen. In hun mythologie wordt namelijk iets dergelijks verteld over Dionysus of Bacchus, twee goden die volgens oude mythen water in wijn veranderen. Het is in de leef- en denkwereld van de oudheid dus een bekend thema, de lezers van toen vielen niet meteen van hun stoel bij dit bijbelverhaal. Wel worden ze erdoor uitgedaagd. Want ongetwijfeld is de boodschap van Johannes aan hen: vestig geen vertrouwen op die oude, ongeloofwaardige, mythische goden. Maar vertrouw je toe aan deze mens Jezus in wie we het ware gezicht van de ene God zien oplichten. Hij schenkt de beste wijn, de wijn van de liefde, de wijn van Gods koninkrijk. Jezus maakt je leven tot een feest van overvloed. Zo zou je kort en krachtig dit wonderteken kunnen vertalen. 

Tegelijk speelt Johannes in op zijn joodse lezers. Het is de tijd dat de eerste christenen, vaak joodse christenen, zich losmaken van de synagoge. Tussen deze joden onderling zijn er grote spanningen ontstaan: de één aanvaardt Jezus wel als messias, de ander niet. In de omgeving van Johannes leeft dat sterk, proef je in zijn evangelie. Hij spreekt zijn joodse lezers aan met deze bijzondere bruiloft, een bijbels symbool dat we onder andere tegenkomen in Jesaja 62. Deze profeet ziet hoe Jeruzalem een verwoeste stad is die er na de ballingschap troosteloos bij ligt. Het verbond, het huwelijk tussen God en Israël lijkt voorbij, de liefde lijkt voorgoed verdwenen. Maar onverwacht belooft God het volk bij monde van Jesaja: ‘Ik zal jullie opnieuw tot mijn bruid maken’. Ik ga ons aloude verbond nieuw leven inblazen. De druiven gaan weer groeien, de wijn zal weer rond gaan in het land. Het ingezakte feest zal weer opleven. Die oude profetie van Jesaja, die komt hier in Kana tot leven. Ook toen Jezus kwam, geeft Johannes aan, was de bruiloft tussen God en zijn volk ingezakt. De wijn was op. Maar Jezus brengt de grote ommekeer. Hij verandert het brakke water in de allerbeste wijn. Hij blaast het feest, het verbond tussen God, de mens en heel de aarde, nieuw leven in.

Die zes stenen vaten vol water zijn ook niet zonder betekenis. Ze spelen een rol in het joodse reinigingsritueel, maar staan ongetwijfeld symbool voor een overdaad aan versteende regels en rituelen. Bepaalde groepen binnen het jodendom hielden de wetten en reinheidsregels streng in de gaten. Om allerlei redenen moesten mensen zich ritueel wassen om niet onrein te worden. Werd je dat wel, dan mocht je niet meedoen, dan lag je eruit. Het evangelie vertelt dat Jezus daar regelmatig tegenaan loopt. Hij heeft niets tegen goede hygiëne, maar wel tegen het afstoten of buitensluiten van mensen vanwege die oude geboden. Daar doet Hij niet aan mee. Tegen de gangbare regels in kan Hij een melaatse man of een bloedvloeiende vrouw ‒ volgens de regels allebei onrein ‒ liefdevol tegemoet treden en zelfs aanraken. Enerzijds is Jezus trouw aan de Thora, de wet van Mozes. Maar met bepaalde wetten heeft Hij weinig op, ze zijn voor hem de dood in de pot. Dat is voor hem brak water dat wijn moet worden, opperbeste wijn, gekleurd door de liefde. Jezus wil dat het leven met God en elkaar weer een feest, een bruiloft wordt. Dat gebeurt als we elkaar niet klemzetten in regels, hokjes of vooroordelen, maar vol oprechte aandacht en liefde tegemoet treden. Op die manier is Jezus de ware bruidegom die de beste wijn schenkt!

Dit verhaal, gemeente, is geen eenzijdige kritiek op het jodendom van toen. Jezus richt zich tegen elke vorm van geloof waarin wetten en regels belangrijker worden dan liefde en menselijkheid. Het past ons als christenen dus om vooral kritisch naar onszelf te kijken, om te zien waar onze eigen traditie versteend is geraakt. Hoe kerken zijn ondergesneeuwd onder wetten en regels, of gelovigen onder dogma’s en doctrines. Dan schonken we brak, stilstaand water uit stenen vaten. Vanuit vastgeroeste patronen werd geoordeeld over wie wel en niet zouden deugen, wie rein waren en wie als onrein gemeden moesten worden. dat lag als een verstikkende deken over ons heen, een deken waar we nu langzaam maar zeker onder vandaan kruipen.

Ook voor de kerk is het zaak de ingezakte bruiloft weer tot een feest te maken, door de liefdeswijn te drinken die Jezus laat rondgaan in Kana. Voor mijn gevoel zijn we daar in deze tijd gelukkig volop mee bezig. En waar mogelijk doen we dat ook gezamenlijk, met andere kerken in oecumenisch verband, en soms ook met andere godsdiensten – jodendom, islam, boeddhisme. Dat kan alleen als we niet star vasthouden aan oude tegenstellingen maar vooral zoeken naar wat ons als gelovigen verbindt. Dat is vaak veel meer dan wat ons van elkaar scheidt.

Ook ons persoonlijke geloof, gemeente, kan verwateren, zeker in deze coronatijd. Nu we maar beperkt bijeen kunnen komen en elkaar weinig in levende lijve ontmoeten. Nu het samen leren en vieren, samen zingen en bidden, weinig kans krijgt. Ook voor onszelf en onze gemeente is het komend jaar de grote vraag: gaat de bruiloft onherstelbaar inzakken en verwateren? Of gaat het lukken om, geïnspireerd door Gods geest, zowel ons geloofs- als ons gemeenteleven nieuwe impulsen te geven? Die vraag houdt Kana ons elke keer opnieuw voor: wordt het water, of wordt het wijn? Amen

 
terug