Preek van zondag 10 juli 2022 Preek van zondag 10 juli 2022

De barmhartige Samaritaan
 

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zit vol onverwachte omkeringen. Daarvan is de meest bekende ongetwijfeld dat niet een vrome Jood maar een Samaritaan, in veler ogen een halve heiden, doet wat God van een mens verwacht. Deze, passant, een buitenstaander, heeft het hart op de goede plek en toont zich een ware naaste. In hem wordt zichtbaar dat godsdienst altijd mensendienst is. Als je die twee uit elkaar haalt, gaat er fundamenteel iets mis. Dan verdwijnt de liefde, of beperkt die liefde zich tot een selectief gezelschap: tot de besloten kring van je eigen geloofsgenoten. Dat gevaar loopt elke religie, jodendom en islam, hindoeïsme en boeddhisme, en niet de laatste plaats het christendom. Dan geldt ‘elkaar liefhebben’ alleen voor je eigen club. Maar zo’n clubje wil de kerk niet zijn.

Een andere omkering wordt ingeluid door de wetgeleerde die Jezus op de proef stelt. Hij vraagt Jezus naar het eeuwige leven – hoe kan hij daaraan deel krijgen? Deze man is al met een volgend leven bezig maar Jezus houdt hem bij de tijd, deze aardse tijd. Want als de man het dubbelgebod van de liefde blijkt te kennen, reageert Jezus met: doe dat en je zult leven! Leef eerst maar eens hier en nu, door God lief te hebben en je naaste als jezelf. Daarmee wil Jezus de eeuwigheid niet ontkennen. Maar het accent verschuift. Want je kunt wel opgaan in de vraag wat er na de dood komt, maar leef eerst maar eens dit leven van alledag. Dan gaat het erom je te laten kennen als een barmhartig of ‒ zoal je nu vaak hoort ‒ een warmhartig mens. Als iemand met compassie die echt bewogen is met het lot van de ander. Aan zo’n leven, daar heb je als mens je handen aan vol. Heaven can wait.

Nog subtieler is misschien wel de derde omkering in deze gelijkenis. De schriftgeleerde stelt de vraag wie toch zijn naaste is. En het antwoord is niet zo moeilijk, laat Jezus zien: je naaste kom je vanzelf tegen, die staat zomaar voor je neus of ligt ergens in de kreukels, aan de kant van de weg. Nee, de eigenlijke vraag is: laat jij je tot een naaste maken? Jezus draait de vraag om. Wie is de naaste ‘geworden’, vraagt Hij, van deze zwaargewonde man? Dan ligt de bal opeens bij deze wetgeleerde, en dan die tegelijk bij ons. In hoeverre laten wij ons tot zo’n naaste maken? In hoeverre laten wij ons raken en gezeggen door die ander die zomaar op ons pad komt? Laten we dat toe, of schermen we ons af, bijvoorbeeld in een strak vriend- en vijanddenken.  Of horen we bij de hardliners die roepen dat ieder zichzelf maar moet redden en z’n eigen broek moet ophouden. Een houding die veel neoliberale aanhang heeft gekregen, al zie je in deze tijd ook een tegenbeweging groeien.

Nu zal ik niet beweren dat naastenliefde eenvoudig is, of dat we daarin naïef moeten zijn. Als er nu iemand kreunend in de berm ligt, kun je achterdochtig worden. Want is het geen truc waarbij opeens iemand anders uit de bosjes springt en je berooft van een pasje of mobieltje. Zo’n soort angst kan ook meespelen bij de priester of leviet in ons verhaal. Zo is het ook heel anders of er tien of twintig vluchtelingen in ons land asiel zoeken of dat het om duizenden per jaar gaat. Dan moet je goed nadenken hoe je dat aanpakt. Zonder ongastvrij te zijn en dan mensen op te vangen in een overvolle opvang. Maar ook ons verstand mag meedoen, weet de schriftgeleerde, als het gaat om het dienen van God en de naaste. Barmhartigheid kan ook tegen grenzen aanlopen. Als het maar geen onverschilligheid wordt, de apathie van zelfgenoegzame mensen die enkel bezig zijn met eigen huis en haard, met eigen volk eerst. Dat wordt wel de grote zonde van deze tijd genoemd: onverschilligheid.

Al met al laat deze gelijkenis meerdere kanten van ons mens zijn zien. De boodschap is niet eenzijdig dat we allemaal die barmhartige Samaritaan moeten zijn. Dat is maar één kant van het verhaal. Want je kunt net zo goed die man zijn die daar uitgeteld aan de kant van de weg ligt. In dit bestaan kun je afwisselend de een of de ander zijn. De ene periode ben je in de kracht van je leven, kun je alles aan en wordt er regelmatig een beroep op je gedaan iemand anders bij te staan. Een andere periode ben je zelf uitgeteld, gevloerd door ziekte, uitgeput door zorgen, leeggezogen door je werk of kapot van verdriet. Of je bent op den duur oud en sterk afhankelijk geworden. Dan lig je daar als die man op straat, voor je gevoel meer dood dan levend, en ben je overgeleverd aan anderen om je heen. Aan zo’n Samaritaan die je wonden verzorgt, aan die man van het logement die je opvangt en verder helpt herstellen. Ja, ook die onopvallende herbergier speelt een belangrijke rol door gewoon te doen wat hem te doen staat. Hij doet het niet gratis, want ook hij moet leven, maar leeft vanuit vertrouwen. Vertrouwen, zowel in de Samaritaan als in zijn onbekende patiënt, dat ze hem niet misleiden of tekort doen. Al die rollen, die kanten van mens zijn , zitten in dit verhaal.

Dat brengt me bij een laatste omkering. Als het om Jezus gaat, associëren we hem vaak met die barmhartige Samaritaan. Ook het lied van Hanna Lam wijst in die richting, en dat is niet onterecht. Want als Jezus rondgaat onder de mensen, dan heeft Hij steevast bijzondere aandacht voor degenen bij wie het leven pijn doet. Hij verzorgt hun wonden en helpt hen weer op de been. Toch heeft ook een andere associatie goede papieren. Kom je Jezus ook niet tegen in die zwaargewonde man aan de kant van de weg? Doet dat niet denken aan de weg die Hij zelf is gegaan, toen Hij werd gepijnigd en gekruisigd. Dan wordt Jezus eveneens zichtbaar in die lijdende man van de gelijkenis. Zijn kruis staat altijd weer symbool voor de solidariteit met wie in deze wereld klein en kapot worden gemaakt, en breder met allen die lijden aan dit leven. Ja, zo is een betrokken Jezus ook ons nabij, in onze eigen pijn, ons eigen verdriet. Hij wil ons daarin kracht en vertrouwen geven, om staande te blijven, om het uit te houden.

Vaak hoor je de klacht: waar is God toch in een wereld vol onrecht en mensonterende omstandigheden? Die vraag leeft zowel onder gelovigen als onder twijfelaars en niet-gelovigen. Daarop geeft onze gelijkenis een dubbel antwoord. God kun je tegenkomen in warmhartige mensen die zien wat een ander nodig heeft en bereid zijn iemands naaste te worden. Mensen als de Samaritaan die Gods goedheid belichamen en leven naar het dubbelgebod van de liefde. En tegelijk is God te vinden in die uitgetelde mens, in het appèl dat van hem uitgaat naar zijn omgeving. Het appèl van Jezus zelf die als de gekruisigde nog altijd lijdt aan het onrecht en de pijn in deze wereld. Telkens vraagt Hij ons om de mensen die hem lief zijn, de kleinen der aarde, niet te vergeten, niet te verlaten. Op die manier gaat het bij geloven niet om een aantal waarheden waar je al dan niet mee instemt. Nee, geloven is een manier van leven, van doen, van niet onverschillig zijn of blijven. Dat benadrukt Jezus in deze bijzondere gelijkenis. Godsdienst is mensendienst.
Amen

 
terug