preek 29 okt.. 2017 preek 29 okt.. 2017

Wijk bij Duurstede, zondag 29 oktober 2017
Verkondiging bij Jacobus 2: 20-26 en Galaten 3: 6-11

ds. Jan Offringa
 
Pachters van de wijngaard
 
Jezus is in Jeruzalem, en geeft onderricht op het tempelplein. Daar gaat het er stevig aan toe. Want Hij wordt meerdere keren in het nauw gedreven door mensen die weinig met hem op hebben. Ze vragen hem bijvoorbeeld naar zijn bevoegdheid: waarop baseert Hij zijn uitspraken, ja, wie denkt Hij wel dat Hij is? Of ze proberen hem klem te zetten met een controversiële kwestie: mag een oprechte Jood wel belasting betalen aan de keizer van Rome? Zo voert Jezus allerlei strijdgesprekken met het religieuze gezag in Jeruzalem, op het scherpst van de snede. Dat geldt ook voor de gelijkenis die Jezus hier vertelt. Het staat meteen op scherp. Als Hij begint over een wijngaard, een eigenaar en zijn pachters, weet iedereen meteen waar Hij heen wil. Ze kennen hun klassieken, de oude profetie uit Jesaja 5 kunnen ze dromen. Met die slechte pachters wijst Jezus hier onmiskenbaar naar de tempelelite in Jeruzalem waarmee Hij in de clinch ligt. Die krijgt hier de wind van voren. En dat die boodschap is aangekomen, blijkt wel aan het slot. Daar staat dat deze tempelelite inderdaad beseft dat Jezus het over hen had. In hun verontwaardiging willen ze hem het liefst meteen oppakken. Maar dat durven ze niet in het openbaar, bang als ze zijn voor de reactie van het volk. Want de mensenmassa om Jezus heen – staat daar ‒ houdt hem voor een profeet.
 
Vaak is deze gelijkenis uitgelegd in het kader van een vervangingstheorie: het christendom is in de plaats gekomen van het jodendom. Israël zou als volk van God hebben afgedaan. Het zou verworpen zijn omdat het de Messias niet heeft aanvaard. Ter vervanging is daarom de kerk gekomen, als nieuwe pachter van de wijngaard. Zichtbaar bewijs zou de verwoesting van Jeruzalem zijn, in het jaar 70 na Christus. Was dat niet de voorspelde ondergang van de wijngaard, ofwel Israël, en dus de goddelijke straf. In de lijn van de profetie van Jesaja en de gelijkenis van Jezus? Israël als verworpen door God en verdreven uit het land. Zo is het door de eeuwen heen vaak uitgelegd, met alle gevolgen van dien. Want dit denken in termen van verwerping en vervanging trok diepe sporen in de geschiedenis. Ergens kon men niet verdragen dat er naast het christendom een jodendom bleef bestaan dat Jezus niet aanvaardde. Te midden van alle harde verwijten werden joden op den duur zelfs van Godsmoord beschuldigd, want was Jezus niet, zoals de latere dogma’s vertelden, op een of andere manier God zelf?
Het joodse volk zou dus verdoemd zijn, voorgoed verworpen en daarom verstrooid over de aarde. Zulke gedachten staan aan de basis van wat we kennen als anti-judaïsme, ofwel anti-joodse verhalen en denkbeelden in kerk en christendom. Een uiterst pijnlijke kwestie die sterk heeft bijgedragen aan het antisemitisme in de wereld. Afgelopen week verscheen hierover een nieuw boek dat in mijn krant meteen een vijf sterren recensie kreeg. Met, moet ik toegeven, een apart hoofdstuk over kerkhervormer Maarten Luther. Voor alle duidelijkheid: anti-judaïsme is niet hetzelfde als antisemitisme ‒ een vorm van racisme ‒ maar draagt daar wel sterk aan bij. Want roepen dat het jodendom een halfslachtige of minderwaardige godsdienst is ‒ anti-judaïsme ‒ loopt gemakkelijk over in de gedachte dat joden een minderwaardig ras vormen ‒ antisemitisme. Die pijnlijk ontspoorde beeldvorming kom je nog altijd tegen in kerk en samenleving. Al zijn velen daar na de Tweede Wereldoorlog en de verschrikking van Auschwitz wel van terugkomen.
 
Daarom is het belangrijk, gemeente, om dingen goed te onderscheiden in het evangelie. Jezus botst niet met heel Israël, maar met een kleine, machtige groep religieuze leiders in Jeruzalem. Vaak aangeduid als de tempelelite of ook wel de tempelkliek. Het gaat om religieuze en politieke leiders die volgens velen de tempel exploiteren als een bedrijf en ondertussen goede contacten onderhouden – anderen zeggen: onder één hoedje spelen ‒ met de Romeinse bezetter. Hen spreekt Jezus in deze gelijkenis aan als slechte pachters van de wijngaard, met die verwijzing naar Jesaja.
En op hun beurt houden deze leiders Jezus scherp in de gaten. Want een paar dagen eerder heeft Hij rigoureus het plein van de tempel schoongeveegd en de handelaars verdreven. Dat staat hen nog levendig voor ogen. Al met al heerst er een gespannen sfeer, en dat proef je terug in deze gelijkenis. Daarin staan de dingen op scherp. Want hierin verwijt Jezus deze leiders in Jeruzalem dat ze als slechte pachters de geestelijke erfenis van Israël verkwanselen, en in hun hebzucht de dienst aan God en de naaste verwaarlozen. In de woorden van Jesaja: hier is sprake van rechtsverkrachting in plaats van rechtsbetrachting. Jeruzalem heeft alle trekken van een religieus bedrijf, de tempel lijkt meer op een marktplaats of rovershol dan een huis van gebed. En door dat alles heen – hoor je ook regelmatig in het evangelie ‒ wordt de stem van de wees en weduwe niet meer gehoord. Of wordt de naastenliefde, die onlosmakelijk is verbonden met de liefde voor God, verwaarloosd. Die dingen klinken door in de tempelkritiek van Jezus. Op deze manier verspeelt ze haar bestaansrecht.
Maar dat is wat anders dan dat heel Israël hier verworpen wordt. Die gedachte getuigt niet alleen van christelijke hoogmoed, maar kan ook als een boemerang op de kerk terugvallen. Want kan zoiets ook voor ons gelden? Dat een kerk die geen goede vruchten draagt door God wordt verworpen? In elk geval is het goed zo’n gelijkenis niet op een ander maar allereerst op jezelf te betrekken. Als zoiets leidt tot gezonde zelfkritiek, kan dat zeker geen kwaad. Maar liever zou ik zeggen dat we allebei bestaan in Gods genade en geduld, zowel jodendom als christendom: laat ze allebei, met hun gebreken en beperkingen, naast elkaar staan, in onderling respect, en dus niet tegenover elkaar.
 
Ook iets anders is opvallend in deze gelijkenis, namelijk de manier waarop Jezus hierin over zichzelf spreekt, noem het zijn roeping, zijn missie. Hoe ziet Hij zijn taak of rol, wat beoogt Hij in zijn optreden, en waarom zal dit uitlopen op een pijnlijke dood? Komende dinsdag hoop ik daar uitgebreider bij stil te staan, op de tweede avond oin het kader van ‘veranderend geloven’. Die gaat over Jezus en staat in het teken staat van zulke vragen. Velen van ons zijn groot geworden met het klassieke antwoord: eigenlijk kwam Jezus om te sterven, want dat was nodig om Gods straf of toorn te dragen en de zonden van de wereld weg te nemen. Die duiding is ‒ mag je zeggen ‒ de vrucht van de latere bezinning, zoals die in de christelijke gemeente na Pasen op gang is gekomen. Maar in deze gelijkenis over de wijngaard vind je zoiets niet terug. Jezus zelf vertelt hier een heel ander verhaal. De geliefde zoon komt niet naar de wijngaard om zich op te offeren en te sterven. Zo van: als je mij doodt, komt het weer goed. Integendeel, hij komt naar de pacht vragen. Hij vraagt in naam van zijn vader naar de opbrengst van de oogst.
Zoiets ben Ik aan het doen, laat Jezus doorschemeren, daar ben Ik bij jullie op uit. Ik kom je naar de vruchten van je geloof vragen. Naar je liefde, je toewijding aan God en elkaar ‒ wat voor een vruchten levert dat op, wat laat je ervan zien in de praktijk van alledag? Want in zijn schepping heeft God ons toch genoeg meegegeven. Een wijngaard vol aan menselijke talenten, gaven, deugden en kwaliteiten. Een goede aarde om te bewerken en te bewaren, waar niemand te kort komt als we samen delen en niet heersen maar dienen. Een geestelijke erfenis ook, rijk aan oude teksten en verhalen, aan prikkelende geboden en beloften, met een enorme spirituele diepgang. Dat alles gaf God ons als pachters in beheer, in de hoop op een rijke oogst.
 
In de lijn van de eerdere profeten, die ook vaak mishandeld of zelfs gedood zijn, spreek ik jullie daarop aan, vertelt Jezus in deze gelijkenis. Hij wil ons bepalen bij het ware leven met God en elkaar. Met name bij de liefde die ons aanwijst op de ander, in het bijzonder op de minsten, de meest kwetsbaren in ons midden, en die de mooiste vruchten oplevert. Dat doet Jezus niet alleen in zijn woorden maar des te sterker in zijn daden. Hij maakt het zichtbaar, Hij wordt de belichaming, de levende getuige van Gods bedoelingen met ons. Jezus, kun je zeggen, laat ons zien wie God is en wie wij kunnen zijn. Die twee dingen tegelijk – wie God is, en wie wij kunnen zijn ‒ komen samen in zijn persoon. Hij komt dus niet allereerst om te sterven, maar om in volle glorie te leven. Op nooit eerder vertoonde wijze, vertelt het evangelie ons, is deze mens bezield door God. Hij ontpopt zich ‒ meer nog dan grote profeten als Mozes, Elia en Jesaja – als de drager van Gods Geest. Na al die profetische zonen en dochters vóór hem is Hij de ware, unieke en geliefde zoon van God.
 
Maar deze levensweg eindigt wel ‒ ook dat is in de lijn van menig profeet ‒ in zijn voortijdige dood. Want Jezus roept naast bijval ook hevig verzet op. Zijn radicale boodschap van naastenliefde, zijn royale genade voor zondaren, zijn ongezouten kritiek op de tempelleiding, zijn oproep tot een heel nieuwe manier van leven ‒ dat alles wordt hem niet in dank afgenomen. De weerstand groeit, en met name de genoemde tempelelite in Jeruzalem is hem liever kwijt dan rijk. Zo gaat Jezus dus zijn kruis tegemoet, je kunt zeggen dat het gaandeweg zijn leven opdoemt. Het kruis lag niet bij voorbaat klaar, omdat God dit van te voren zo gewild heeft. Maar Jezus kan er niet omheen en wil er niet omheen, als onrechtvaardige pachters ‒ je kunt ook zeggen: een wereld vol verzet ‒ dit kruis voor hem oprichten. Zo gezien is de Eeuwige dus geen toornige God die hem dit kruis aandoet, maar een liefdevolle God die hem trouw blijft, tot op het kruis, ja, door de dood heen. Een God die Jezus meelijdt en meestrijdt. En een God die zich nog altijd daar laat vinden, waar mensen opkomen tegen onrecht en discriminatie, tegen haat en geweld, helemaal als dat plaatsvindt in zijn naam.
 
Eigenlijk laat deze gelijkenis zien wat er mis blijft gaan in de wereld, in de kerk en in ons eigen leven. Dit vooral: dat we ons niet als pachters gedragen, maar als bezitters van de wijngaard. In de kerk gaat het fout als we doen alsof we God in bezit hebben en precies menen te weten wat Hij zegt of doet. Voor je het weet gaan we dan zelf voor God spelen en beginnen we te oordelen over elkaar. En komt er van de oogst die Jezus beoogt maar weinig terecht.
Zoiets geldt ook voor de aarde. Al te vaak wordt ze nog gezien als een stuk bezit waarmee we mogen doen wat we willen. Dan ontbreekt het besef dat we haar als pachters in bruikleen hebben: van God zelf, en ‒  zoals Indianen fraai zeggen ‒ van komende generaties. Volgens hen hebben we de aarde niet geërfd van onze voorouders, maar te leen van onze kinderen.
En ook ons eigen leven kunnen we zien als persoonlijk bezit. Dan scherm je het af tegen anderen en houd je mensen die je vreemd zijn zoveel mogelijk buiten de deur. Je eigen ik staat voorop. Jezus laat ons graag een andere weg zien. Je kunt leven als een pachter die bereid is de oogst eerlijk te delen. Je kunt bloeien als een wijnstok die goede vruchten draagt, voor God en voor je naaste. Dat is de weg van het evangelie, dat is de route naar het koninkrijk. Amen

 

terug