Preek zondag 18 november 2018 Preek zondag 18 november 2018

Waar ben je nu?

Is er leven na de dood? En wat kunnen of mogen we ons daarbij voorstellen? Die vraag houdt de mensheid al eeuwen bezig. En de grote godsdiensten geven daar elk hun eigen antwoord op. Soms liggen die antwoorden dicht bij elkaar, soms zijn het ook werelden van verschil.
Onder die godsdiensten neemt het jodendom een unieke positie in. Want dat leefde lange tijd met de gedachte dat er geen leven na de dood is. Als enige dus! In grote delen van het Oude Testament kom je dat geloof niet tegen. Het was een zegen als je oud werd en je leven min of meer voltooid was als je stierf. Maar dan wachtte er niet zoiets als een hemel. Hoogstens was er een dodenrijk waar je herenigd werd met je voorgeslacht. Daar moest je het maar mee doen, met een op z’n hoogst wat schimmig bestaan in dat dodenrijk, ver bij God vandaan.
Pas later, heel voorzichtig in de tijd na de ballingschap en mede onder invloed van andere culturen, groeit ook binnen het jodendom de gedachte aan een hiernamaals. Maar de verschillende groeperingen zitten niet op één lijn. Zo kan het gebeuren dat ten tijde van Jezus sommige Joden wel in een opstanding geloven, zoals de Farizeeërs. Anderen echter ‒ de in dit opzicht conservatieve Sadduceeërs ‒ moeten daar niets van hebben. Zij willen vasthouden aan de Thora, aan wat Mozes daarin leert, en vinden opstanding een vorm van nieuwlichterij. Daar stonden we twee week geleden in de gedachtenisdienst nog bij stil, als enkele Sadduceeën Jezus hierop aanspreken.
Een bijzondere stem in dit verband is Prediker, een wijze man in Israël die waarschijnlijk zo’n 300 jaar voor Christus leefde. Hij is ‒ wordt vaak gezegd ‒  een overgangsfiguur. Want wat gelooft hij nu wel of niet? Heel zijn boek door lijkt de dood voor hem het einde, met het dodenrijk als ons eeuwig huis. Allen treft eenzelfde lot, herhaalt hij keer op keer, of je nu goed of slecht hebt geleefd. Alles is lucht en leegte, herhaalt hij ook nog eens in zijn laatste hoofdstuk. Maar ook staat daar opeens iets opvallends. We lazen daar: het stof ‒ dat is ons lichaam ‒ keert terug naar de aarde. Maar de adem van het leven keert terug naar God.
Adem, dat heeft iets vluchtigs. Prediker gebruikt niet het woord ziel, in het Hebreeuws nefesj, dat kan verwijzen naar wie je bent, zeg maar de kern van je persoonlijkheid. Nee, hier staat het Hebreeuwse ruach, dat we kennen als adem en geest, en meer iets heeft van onze levenskracht. Die kracht of energie keert terug naar de bron en wordt weer opgenomen in God. Anders dan bij Paulus, onze tweede lezing, is hier dus nog geen sprake van een lichamelijk opstanding. Maar wel proef je dat Prediker ook niet zomaar ‘dood is dood’ zegt. Iets van ons keert terug naar God. Maar wat precies? Dat blijft ongrijpbaar.
Als je alle bespiegelingen probeert te overzien, dan ontdek je steeds twee terugkerende vragen, twee grote dilemma’s. De eerste vraag waren we al op het spoor: is dood werkelijk dood, of mogen we meer verwachten? Die worsteling zit volop in het Oude Testament, en langzaam maar zeker zie je daar de hoop en de verwachting groeien. Dat heeft onder andere met een gevoel van rechtvaardigheid te maken. Want er is zoveel onrecht in de wereld, en de beul krijgt toch niet het laatste woord? Dat laat God toch niet bestaan? Bij hem komt alles, ja ieder mens tot z’n recht. Is het niet nu, in dit leven, dan later, na de dood! Wat ook meespeelt, is het geloof in God als schepper. Zonder de evolutie te ontkennen, vermoeden veel mensen ook nu in onze wordende wereld iets van een scheppende hand. Een creatieve God die het leven mogelijk maakt, ja ook dat van ons. Zou diezelfde God dan na de dood ook niet iets met ons kunnen beginnen? Hij kan ons toch herscheppen tot een nieuw bestaan? Dat geloof groeit al onder joden, en krijgt onder christenen een enorme impuls vanuit Pasen, de opstanding van Christus. We mogen meer verwachten dan dood is dood.
Maar hoe persoonlijk of onpersoonlijk is dat nieuwe bestaan dan? Dat is het tweede dilemma dat je tegenkomt, een vraag waarop godsdiensten heel verschillend reageren. Als bij Prediker onze levensadem terugkeert naar God, dan heeft dat weinig persoonlijks. Het is meer iets van onze kracht of levensenergie die terugkeert naar haar bron. Al kun je ook ‒ als je het oprekt ‒ spreken van onze geestesadem of ons bewustzijn dat in God wordt opgenomen. Dan gaat er wel iets mee van de mens die je was, iets geestelijks. Ik moet dan denken aan wat Pim van Lommel schreef, nadat hij allerlei verhalen over Bijna-Dood-Ervaringen onderzocht. Zonder het meteen God te noemen, zou er volgen hem een ‘eindeloos bewustzijn’ zijn waar ons menselijk bewustzijn deel van uitmaakt, ook na de dood. Een bron van geestkracht die nooit uitdooft. Die gedachte zou ook in de oosterse wereld te vinden zijn. Tradities als hindoeïsme en boeddhisme pleiten in dat verband voor reïncarnatie, de gedachte dat een mens keer op keer wordt wedergeboren, van het ene leven in het andere. Totdat je uit die kringloop wordt bevrijd. Het hindoeïsme ziet die zielsverhuizing meer persoonlijk, het boeddhisme minder persoonlijk. Ook daarin zijn weer meerdere varianten.
Voor Paulus is leven na de dood volop persoonlijk. Dat lezen we in I Korintiërs 15. Het is ook niet puur geestelijk, nee, hier gaat het om een nieuwe lichamelijkheid. Niet ons oude lichaam herrijst, maar we krijgen in de opstanding volgens Paulus een nieuw geestelijk lichaam. Hij gaat niet mee in het opdelen van een mens in een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke ziel. Zo’n gedachte is meer Grieks dan joods. Voor Paulus heeft nieuw hemels leven hoe dan ook iets lichamelijks. Zo komt hij uit bij een onvergankelijk, geestelijk lichaam. Zoiets kan bij ons de wenkbrauwen doen fronsen. Want een vorm van lichamelijk voortbestaan lijkt zo naïef.
Toch zie je vandaag de dag, mede door wetenschappelijke inzichten, dat het geen rare gedachte hoeft te zijn. Want men denkt tegenwoordig in meer dan drie dimensies. Moeten we God dan niet voorstellen als een vierde of vijfde dimensie, een geestelijke dimensie van ons bestaan met een eigen vorm van leven? Ja, die God, las ik ergens, hoeft alleen maar een kopie op te slaan van ons DNA. Daarmee kan Hij ons heel makkelijk, in zo’n andere dimensie, op unieke wijze herscheppen tot een nieuwe vorm van leven. Op die manier wordt zoiets als een hemelgeloof opeens minder vreemd of naïef dan lange tijd werd gedacht. En krijgt onze verbeelding weer alle ruimte. Er is zoveel dat we niet kunnen zien of vermoeden.
Waar ben je nu? Is iemand door de dood voorgoed verdwenen en onbereikbaar geworden? Is iemand nog altijd dichtbij, in een andere dimensie, niet alleen met God maar ook met ons verbonden. De godsdiensten zijn alles behalve eenduidig ‒ wie kan het weten? ‒ en ook onze eigen traditie laat meerdere opties open. Er zijn gelovigen die net als de Sadduceeën niet verder komen dan ‘dood is dood’. Er zijn gelovigen die een meer onpersoonlijk verwachting kennen, in de zin dat ze opgenomen worden in het grote licht of de eeuwige liefde van God. Er zijn ook gelovigen die, in de lijn van Paulus, geloven in een meer persoonlijk voortbestaan.
Dikwijls merk ik dat het vaak binnen één mens in beweging is. Er zijn momenten dat je er niet of nauwelijks in kunt geloven – leven na de dood?  Er zijn ook momenten dat er een diep vertrouwen is: God laat ons niet los. Prediker, Paulus en al die andere joden en christenen die ermee worstelden, ze zitten ook in ons. En ze blijven ons uitdagen: leg je niet zomaar neer bij de nuchtere, harde feiten, maar durf te geloven en te dromen. Durf je kaarten te zetten op die liefde en creativiteit van de Eeuwige. In leven en sterven. Amen










 

terug